1981: een kakkerlak leidt tot geweld

De intocht van KFOR in Kosovo en de teloorgang van het Servische gezag is een nieuw hoofdstuk in de lange geschiedenis van de regio en de relaties tussen Serviërs en Albanezen. De geschiedenis van Kosovo, Servië en Albanië in acht delen. Vandaag het zevende deel, de periode 1981-1989.

In 1981 was de spanning tussen de Albanezen en de Serviërs in Kosovo zo hoog opgelopen, dat één kakkerlak een geweldsexplosie kon veroorzaken. Het beestje dreef op 11 maart in de soep van een student in de mensa van de Universiteit van Priština. De student schopte een rel en in een mum van tijd demonstreerden drieduizend studenten op straat tegen de erbarmelijke omstandigheden op de campus. Ze trokken naar het centrum van de stad, waar Mahmut Bakalli – partijchef van Kosovo en Albanees – hard liet ingrijpen.

Twee weken later stonden de studenten en de veiligheidstroepen weer tegenover elkaar. Maar nu was de televisie erbij omdat op dat moment juist de `Estafette van de Jeugd' door Priština trok, een socialistische hardloopwedstrijd ter ere van Tito. De studenten riepen leuzen als `Kosovo – republiek' en `Wij zijn Albanezen en geen Joegoslaven', maar ook `Eenmaking van alle Albanese gebieden'.

De etnische onrust – door Belgrado afgedaan als het werk van vijandelijke (lees Albanese) krachten – verspreidde zich snel door heel Kosovo. Het studentenverzet vond aansluiting bij mijnwerkers en bouwvakkers. Op 2 april werd het federale leger ingezet om de rust te herstellen. Het werd een keiharde confrontatie. Volgens Belgrado vielen er elf doden, volgens de Albanezen honderden, misschien wel duizend doden.

Het antwoord van Belgrado op deze eerste grote geweldsexplosie sinds de Tweede Wereldoorlog was tweeledig. Onder de naam differencijacija werd een enorme zuivering van het openbare leven in Kosovo uitgevoerd. De jacht op nationalistische cellen werd geopend. In twee jaar werden er 72 `contrarevolutionaire' verzetsorganisaties opgerold. De Belgische kenner Detrez wijst erop dat deze organisaties niet uitsluitend een verzinsel waren van Belgrado. In het buitenland werden al regelmatig aanslagen gepleegd op Joegoslavische functionarissen.

Terwijl de politieke onrust onder de Albanezen groeide, ging ook de Servische kant zich steeds duidelijker roeren. Servische activisten en intellectuelen, zowel in Kosovo als in Belgrado, begonnen de grondwet van 1974 en dus de autonomie van Kosovo, openlijk ter discussie te stellen omdat de Serviërs er hun leven niet meer zeker zouden zijn. Servische media meldden het ene `anti-Servische incident' na het andere, zoals de brand in 1981 in het orthodoxe klooster in Pec. De brand zou zijn aangestoken en de plaatselijke brandweer – Albanezen – was met opzet te laat gekomen, wist de Servische pers. In 1985 bracht het geval-Martinovic de Serviërs op de rand van de hysterie. Djordje Martinovic, een oudere Serviër, werd op 1 mei van dat jaar het ziekenhuis van Priština binnen gebracht met een gebroken fles in zijn anus. Volgens zijn eigen lezing was hij op het veld overvallen door gemaskerde mannen die hem hadden verkracht en vernederd. Volgens Albanezen stond de man bekend als homoseksueel, hij zou de fles bij wijze van zelfbevrediging zelf hebben aangebracht. De Serviërs kozen voor de lezing van Martinovic en bombardeerden hem tot nationale held. Zijn lezing werd in 1986 te boek gesteld en uitgegeven in een oplage van vijftigduizend exemplaren.

In de `Petitie van 200 Servische intellectuelen aan de Regering van Joegoslavië', in datzelfde jaar uitgegeven in Belgrado, werd het lot van Martinovic openlijk vergeleken met dat van het Servische volk, dat op beestachtige wijze uit Kosovo verdreven werd. Kort daarop volgde het `Memorandum' van de Servische Academie voor Wetenschappen, waarin Servische nationalisten – en niet de eersten de besten – het hadden over `Albanese agressie en genocide in Kosovo'. Ze eisen constitutionele garanties voor de Servische aanwezigheid in Kosovo.

Slobodan Miloševic was tot dat moment een grijze en onbekende partij-apparatsjik die nooit op nationalistische sentimenten was betrapt. Hij opereerde in de schaduw van de Servische partijleider Ivan Stambolic, maar was wel ambitieus. Op 24 april 1987 bleek hij zich plotseling het lot van de Serviërs aan te trekken, toen hij een groep woedende Serviërs in Kosovo moest toespreken. ,,Dit volk wordt door niemand meer geslagen', beloofde Miloševic. Toen die leus een golf van enthousiasme veroorzaakte onder de Serviërs, bleek Miloševic een instrument te hebben ontdekt om Stambolic te wippen en zelf aan de macht te komen. Hij ontpopte zich razendsnel tot de machtsbeluste schaakspeler die hij tot de dag van vandaag is gebleven. Miloševic liet massale Servisch-nationalistische volksbijeenkomsten organiseren in Belgrado, Montenegro en de Vojvodina. Hij combineerde de `spontane' steun van het volk met een gerichte `personele' taktiek en wist aanhangers van de grondwet van 1974 uit de partijtop te werken en ze te vervangen door stromannen. Ondanks massaal protest van de Albanezen kwam het Servische parlement begin februari 1989 met drie grondwetswijzigingen. Kort daarop gingen 1300 Albanese mijnwerkers in hongerstaking in de zinkmijnen van Trepca en Stari Trg. Een algemene staking volgde. Miloševic liet het leger met drastische maatregelen de orde herstellen. Op 23 maart 1989 nam het parlement van Kosovo onder grote druk – het gebouw was omsingeld door zwaarbewapende militairen in tanks en binnen wemelde het van Servische veiligheidsagenten – grondwetswijzigingen aan die Kosovo zijn autonomie kostten.