Weide

In de tijd dat de doorgang onder het Rijksmuseum was afgesloten had ik wel eens het gevoel dat er een Berlijnse Muur in Amsterdam was gekomen die ons in de binnenstad afsneed van onze vrienden en verwanten in Oud-Zuid. Als spelende kinderen geven we onze kleine avontuurtjes graag wat gewicht met grote woorden uit de echte wereld. Het was natuurlijk schromelijk overdreven, want de omweg die we moesten maken stelde niets voor, tenminste niet in afstand.

Het ging niet om de afstand. Je liep door de poort de stad uit, dan zag je de vlakte van het Museumplein en ver aan de overkant het Concertgebouw en het andere stadsdeel. De duidelijke afscheiding maakte de overkant aantrekkelijk. Ik liep iedere week wel eens naar de overkant, tot de poort dichtging.

Vorige week ging de poort weer open. Er is veel veranderd. Als je nu van de kant van de binnenstad onder het Rijksmuseum bent doorgelopen, lijkt het eerst alsof het hele Museumplein scheef ligt en als je verder kijkt is het alsof het Concertgebouw een eind verplaatst is. Dan kijk je naar rechts, langs de nieuwe uitbreiding van het Van Gogh Museum, en je ziet de Van Baerlestraat als een Madurodamstraatje. We hebben nieuwe ogen gekregen.

Wat kan een mens zich vergissen! In de twee jaar dat ik het nieuwe Van Gogh Museum uit de grond zag groeien leek het me een akelige klomp, te groot, te plomp, te grijs. Nu het klaar is en je er dichtbij kan komen en er binnen kan gaan is het anders, een sierlijk gebouw. Een paar jaar geleden werd het nog smalend `een gascilinder' of `het Japanse koekoeksei' genoemd, maar de meningen zijn omgeslagen. De commentaren van wandelaars die ik opving varieerden van `het valt mee' tot warm enthousiasme. `Het valt mee', misschien werd het gezegd door iemand die drie jaar geleden nog met bezwaarschriften wilde voorkomen dat het koekoeksei uitgebroed werd, en dan is het een groot compliment.

Een snelle inspectietocht. Zijn binnen de plafonds niet hier en daar wat laag en hinderlijk nadrukkelijk aanwezig? Misschien. Niet te snel een oordeel hebben. Een groot gebouw en ook een plein heeft jaren nodig voor het ons past.

De inspectietocht wordt buiten voortgezet naar de omhooglopende helling die al in beslag is genomen door spelende kinderen en zonnebadende toeristen. Is dat de bedoeling? Waarschijnlijk wel. Zal het gras het wel uithouden? Het moet een dun laagje plaggen zijn wat hier ligt, want de helling is eigenlijk het dak van de nieuwe supermarkt van Albert Heijn. Straks gaan ze hier 's winters sleetje rijden, niet ongevaarlijk op de steile helling, maar wel aantrekkelijk. Wordt het geen modderpoel? Het gras is oersterk, heeft de deelraad gezegd en het Museumplein heeft al vele aanslagen overleefd. Honderdduizenden vredesdemonstranten. De voetbalhuldigingen, `even hartverwarmend als huiveringwekkend', zoals Lydia Lansink het uitdrukt in het mooie nieuwe nummer van het tijdschrift Jong Holland dat geheel aan het Museumplein gewijd is.

De inspectietocht gaat verder naar de achterkant van de helling, het Ezelsoor, Oor des aanstoots. Vergeefs waren de pogingen om dit oor af te snijden. Ik zou graag zeggen dat ook het oor bij nader inzien meevalt, maar het is niet zo. Overal in Nederland waar nieuw gebouwd wordt is er een gevecht tussen stadsinrichters en Albert Heijn, en Albert Heijn heeft in deze oorlog nog geen nederlagen geleden.

Op het Amsterdamse Kunstkanaal was zondag een film over de architect van het nieuwe deel van het Van Gogh Museum, Kisho Kurokawa. Hij had het over het begrip `nutteloze ruimte', dat hem na aan het hart lag. Al sloeg het niet speciaal op het Museumplein, het begrip is daar wel van toepassing. Er is gelukkig veel `nutteloze ruimte' overgebleven.

In het televisieprogramma NOVA leek de landschapsinrichter Sven-Ingvar Andersson een beetje een vreemde boskabouter, zoals hij daar blij in de regen stond midden op het plein, lyrisch jubelend over het vrije spel der elementen. De televisiemensen vroegen zich af of het wel een echt plein was geworden. Nee, het is een veld, zei Andersson beslist. Daar kibbelden ze een tijdje over, want de televisieploeg vond dat als iets een plein heet, het ook een plein moet zijn en geen veld. Martijn Sanders kwam aan het woord en zei dat het een weide was waaraan alleen de koeien nog ontbraken.

Ik heb de indruk dat de meeste Amsterdammers in deze strijd tussen veld en plein zouden kiezen voor het veld dat het ten slotte geworden is. Zo gaat het mij in ieder geval, en het verbaast me een beetje, want eigenlijk houd ik veel meer van pleinen dan van weides.

Toen ik langs de oostkant liep van het plein, of het veld, of de weide of hoe je het ook noemen wilt, moest ik even denken aan het Veld van de Wonderen in Pisa, en later las ik dat het inderdaad de bedoeling van de landschapsinrichter was geweest dat ik daar aan dacht.

Laat ik niet overdrijven. Het is nog een beetje een rommeltje overal. Behalve de uitbreiding van het Stedelijk Museum, die nog jaren zal duren, moet alles in augustus van dit jaar klaar zijn. ,,Amsterdam wacht huiverend af'', schrijft Lansink in Jong Holland.

Dat zal wel waar zijn. Amsterdam huivert altijd als er gebouwd wordt. Lansinks artikel geeft onder meer een overzicht van de plannen die er in het verleden zijn geweest voor het plein. Haar eigen voorkeur gaat uit naar het strenge en sobere plan van Cuypers uit 1891. Er zijn meer plannen waarvan je denkt dat het goed zou zijn geweest als ze uitgevoerd waren, al valt dat op grond van zo'n samenvattend artikel natuurlijk moeilijk te beoordelen. Wat je ook denkt is: `maar ach, het had zoveel erger kunnen zijn', bijvoorbeeld bij het plan van Carel Weeber uit 1989, dat voorzag in maar liefst tienduizend vierkante meter aan nieuwe bebouwing, een wel zeer krasse aantasting van de nutteloze ruimte. Of we ons eigen Veld van Wonderen krijgen is nog niet zeker, maar de Amsterdamse huivering is geloof ik de afgelopen week wel wat minder geworden.