Universiteiten hoeven niet méér geld

Steeds luider klinkt de roep om meer geld voor de universiteiten. Maar meer geld is niet nodig. Wat nodig is, is dat de bestaande middelen beter worden verdeeld, vinden Bas van der Klaauw en Udo Kock.

In het afgelopen decennium is veel veranderd aan de Nederlandse universiteiten. Met name de manier waarop het wetenschappelijk onderwijs en onderzoek gefinancierd wordt is herhaaldelijk aangepast. De nota `Wie oogsten wil, moet zaaien' over het onderzoeks- en wetenschapsbeleid, die minister Hermans heeft gepresenteerd, zal wederom leiden tot veranderingen in de financiering van universiteiten. De recente ontwikkelingen zijn de kwaliteit zeker ten goede gekomen. Ook de nota van Hermans is een stap in de goede richting, er komt meer geld voor vernieuwend onderzoek en de carrièremogelijkheden van jonge onderzoekers worden verbeterd. Het proces van vernieuwing gaat echter te langzaam en het is te bescheiden. Er gaat niet zozeer te weinig geld naar de universiteiten, maar het beschikbare geld wordt nog steeds op een verkeerde manier verdeeld.

Hoewel tegenwoordig een deel van het onderzoeksgeld voor universiteiten door de Koninklijke Academie van Wetenschappen (KNAW) en Nederlands Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) wordt verdeeld op basis van onderzoeksvoorstellen, zijn studentenaantallen nog steeds de belangrijkste bron van inkomsten voor faculteiten. Sinds 1990 toen de studieduur in stappen werd beperkt en de tempobeurs is ingevoerd zijn middelbare scholieren minder geneigd zich in te schrijven voor een universitaire opleiding. Het aantal aanmeldingen liep tussen 1990 en 1997 met 20 procent terug. Daarentegen is het aantal nieuwe aanmeldingen bij het HBO in deze periode continu gegroeid. Middelbare scholieren kiezen steeds vaker voor zeker en dus voor het HBO in plaats van de universiteit.

De lagere studentenaantallen aan de universiteiten hadden tot gevolg dat de inkomsten van universiteiten daalden. Om aan deze ontwikkeling het hoofd te bieden zijn universiteiten het hoger onderwijs gaan imiteren om zo ook in de grotere pool met potentiële HBO-studenten te kunnen vissen. Een treffende illustratie is een recente advertentie van de Hogeschool van Amsterdam. Puntsgewijs worden de voordelen van een `gloednieuwe voltijd-HEAO' opgesomd. Niet `buffelen voor allerlei aparte vakken' maar kennis en vaardigheden verwerven voor bijvoorbeeld een carrière als bedrijfsanalist. De nadruk ligt op het uitwerken van praktijkvoorbeelden en het oefenen van de toekomstige beroepspraktijk in een `virtuele adviesorganisatie'. De advertentie wordt geïllustreerd met een foto van het leven als afgestudeerde: gezeten op de motorkap van een (lease-)sportwagen, met mobiele telefoon in de hand, succesagenda op schoot en naast je een laptop.Niets mis mee. Maar wel met het feit dat na deze HBO-opleiding pur sang in nog geen jaar tijd een academische titel kan worden behaald. De universiteiten hebben onder druk van de dalende studentenaantallen hun eisen en programma's aangepast en zijn opgeschoven in de richting van het HBO.

De grotere instroom van studenten met HBO-interesse en -niveau heeft een vervlakking van het universitaire onderwijs tot gevolg. Omdat deze studenten meer interesse hebben in de praktijk dan in de wetenschap is de kruisbestuiving tussen onderwijs en onderzoek verdwenen. Veel goede onderzoekers hebben daarom weinig behoefte aan het geven van onderwijs. Studenten die wel academische interesses hebben zijn de dupe. Het onderwijs is van slechte kwaliteit en zij krijgen niet de kans te leren van goede onderzoekers. Hierdoor zullen op den duur steeds minder studenten na afloop van hun studie de capaciteit en interesse hebben voor een academische carrière. Dit openbaart zich nu al in een tekort aan promovendi. Door het huidige financieringssysteem hebben faculteitsbestuurders meer belang bij het aannemen van een pr-functionaris dan bij het aannemen van een goede onderzoeker. Het resultaat is dat het gros van bijvoorbeeld de Nederlandse economische faculteiten, ondanks de verbeteringen in de afgelopen jaren, internationaal weinig aanzien geniet. Het is positief dat Hermans de rol van NWO bij het verdelen van onderzoeksgeld wil vergroten, maar door de huidige input-financiering via studentenaantallen te handhaven blijft het fundamentele probleem onaangeroerd. De financiering van faculteiten moet minder afhankelijk worden van studentenaantallen en meer van onderzoeksprestaties. Faculteiten hoeven dan niet koste wat kost studenten aan zich te binden. De kwaliteit van het onderwijs kan hierdoor omhoog en het doen van goed onderzoek wordt gestimuleerd.

Door de geringe doorstroming zijn er nauwelijks carrièremogelijkheden voor jonge onderzoekers. Er zijn te veel slechte seniormedewerkers die worden gehandhaafd omdat er geen mogelijkheid is ze terug te zetten in de hiërarchie. Ze worden beziggehouden met al dan niet voor hen gecreëerde of opgewaardeerde bestuurstaken. Taken waar ze niet voor zijn opgeleid en ook nooit bewust voor hebben gekozen. De soms verstikkende bureaucratie op de universiteiten, waarover Hermans zich terecht zorgen maakt in zijn nota, wordt mede hierdoor veroorzaakt.

Idealiter wordt het wetenschappelijk personeel beloond op basis van prestatieloon, zoals dat de komende jaren ook wordt ingevoerd in het middelbaar onderwijs. Het praktische bezwaar hiervan is dat het publiceren van een artikel soms enkele jaren duurt. Bovendien is de kwaliteit van docenten moeilijk te meten. Een systeem met tijdelijke contracten ondervangt deze bezwaren. Voor jonge gepromoveerde onderzoekers, postdocs, is dit nu al de meest voorkomende mogelijkheid het verblijf aan de universiteit met twee à vier jaar te verlengen. Nog beter is het Amerikaanse job-marketsysteem, dat ook op sommige Nederlandse faculteiten wordt toegepast. Op de job-market bieden universiteiten vaste aanstellingen aan voor de duur van ongeveer vijf jaar (`tenure track'). Tijdens de job-market concurreren recent gepromoveerden met een aflopend contract om de beschikbare plekken. Job-markets stimuleren de mobiliteit en daardoor is er meer directe concurrentie, hetgeen de kwaliteit van het onderzoek ten goede komt.

Een soortgelijk systeem is ook voor hoogleraren en ander seniorwetenschappelijk personeel aan te bevelen. Momenteel is de positie van slecht functionerende hoogleraren nagenoeg onaantastbaar. Tijdelijke contracten kunnen dit doorbreken. Aan het begin van zo'n tijdelijk contract moet de inhoud en omvang van onderwijs- en bestuurstaken worden omschreven. De resterende tijd kan worden besteed aan onderzoek. Contractverlenging is alleen aan de orde als de prestaties voldoende zijn. Voor sommige hoogleraren betekent dit dat zij hun leerstoel verliezen.

De roep om meer geld voor universiteiten wordt steeds luider. Naar onze mening is meer geld niet nodig, maar is een betere verdeling van de bestaande middelen toereikend. Het onderscheid tussen HBO en WO moet worden verduidelijkt. Universiteiten moeten minder de nadruk leggen op praktijk en vaardigheden dan het HBO, zonder deze aspecten overigens te verwaarlozen. Het geven van hoogwaardig academisch onderwijs en het doen van onderzoek moet de kernactiviteit van de universiteit worden. Een noodzakelijke voorwaarde hiervoor is het gedeeltelijk verschuiven van de financieringsgrondslag van universiteiten van studentenaantallen naar onderzoeksprestaties. Bovendien moet het personeelsbeleid ingrijpend gemoderniseerd worden. Geen enkele bedrijfstak kan zich namelijk de combinatie van vergrijzing, lage productiviteit en beperkte kwaliteitscontrole veroorloven. De aanzet van Hermans om hier iets aan te doen is een mager begin.

Bas van der Klaauw en Udo Kock zijn verbonden aan de economische faculteit van de Vrije Universiteit Amsterdam en het Tinbergen Instituut.