PvdA vreest toename illegalen

De PvdA wil meer betrokkenheid van de overheid bij de opvang van uitgeprocedeerde asielzoekers die het land moeten verlaten. De overheid dient op die manier te voorkomen dat het aantal illegalen toeneemt.

Dat is de uitkomst van een debat over het asielbeleid, dat de PvdA de afgelopen maand in ruim twintig afdelingen heeft gehouden. De conclusies zijn gisteravond tijdens een besloten debat in De Rode Hoed in Amsterdam voorgelegd aan staatssecretaris Cohen (PvdA, Justitie). De conclusies werden vandaag bekendgemaakt.

De stellingname van de PvdA lijkt haaks te staan op de Terugkeernotitie, die Cohen vorige week presenteerde. Daarin stelt hij voor om de opvang van uitgeprocedeerde asielzoekers na vier weken te staken.

Bij de PvdA bestaat grote vrees dat deze maatregel zal leiden tot een forse toename van het aantal illegalen. Cohen bestreed dit gisteravond tijdens het debat. Vervolgens is besloten om in de partij verder te praten over het probleem van de illegalen. Dit moet op het partijcongres van april 2000 tot een nieuw standpunt van de partij leiden. De PvdA aanvaardt wel het uitgangspunt van Cohen dat vreemdelingen in principe zelf verantwoordelijk zijn voor hun terugkeer.

De PvdA pleit er verder voor om afgewezen asielzoekers die niet uitgezet kunnen worden omdat hun land hen niet terugneemt een permanente verblijfsvergunning te geven. Staatssecretaris Cohen moet ook `ruimhartig' omgaan met zijn discretionaire bevoegdheid om zogenoemde witte illegalen een verblijfsstatus te verlenen, zo luidt een andere conclusie. Een pleidooi van verschillende partijleden om witte illegalen een generaal pardon te geven, kon niet op een meerderheid rekenen.

De vraag is in hoeverre de uitkomst van het debat het standpunt van de PvdA-fractie in de Tweede Kamer nog zal beïnvloeden. De Terugkeernotitie van Cohen is van te voren afgestemd met de woordvoerders van de paarse fracties. ,,Maar in ieder geval weet de fractie nu hoe de partij erover denkt'', aldus vice-voorzitter van de PvdA en Kamerlid M. Hamer.