Kortere schoolweek kan leerling ten goede komen

Het invoeren van een kortere schoolweek leidt niet tot een oplossing van het lerarentekort, maar kan onder bepaalde voorwaarden zowel de leraar als de leerling ten goede komen, vindt Jan Ebskamp. Het onderwijskundig belang van de leerling dient echter voorop te blijven staan.

Op 1 augustus 1985 werd de Wet op het basisonderwijs ingevoerd. Onder meer onder invloed van actiegroepen werd daarin opgenomen dat voor alle leerlingen de schooldag op hetzelfde tijdstip moest beginnen en eindigen. Enkele jaren later kwam de wetgever tot het inzicht dat – in het kader van deregulering en autonomievergroting van scholen – de betrokkenen bij het onderwijs zelf wel in staat waren dit soort dingen te regelen. De bepaling verdween derhalve weer uit de wet. Het inloopkwartiertje aan het begin van de schooldag is er een overblijfsel van.

Scholen hebben de vrijheid om zelf vorm te geven aan de schooltijdenregeling, binnen de randvoorwaarde dat leerlingen in groep 1 tot en met 4 in ieder geval 3520 uur onderwijs krijgen en de groepen 5 tot en met 8 tenminste 4000 uur. Daarbij geldt dat een schooldag voor alle leerlingen maximaal 5 uur mag duren. Van het laatste mag eventueel worden afgeweken als dit van belang is in het kader van het voorkomen en bestrijden van onderwijsachterstanden.

De medezeggenschapsraad van de school is de aangewezen plaats om over de schooltijden overeenstemming te krijgen. De uiteindelijke beslissing blijft echter de verantwoordelijkheid van het schoolbestuur. Sinds 1 augustus 1998 is dit zo geregeld in de nieuwe Wet op het primair onderwijs.

In de actuele discussie over een schoolvrije vrijdag lijkt opnieuw de bewaarschoolfunctie van de basisschool aan de orde. De Bewaarschool voor kleuters is echter al verdwenen bij de invoering van de Kleuteronderwijswet in 1956.

De huidige discussie vindt voor een deel plaats in troebel water: arbeidsduurverkorting voor leraren, vaders en moeders met werk buitenshuis, het tekort aan leraren én het pedagogisch en onderwijskundig belang van leerlingen.

Eigenlijk zou het alleen over het laatste moeten gaan. Dat maakt andere onderwerpen niet minder belangrijk, maar het betekent wel dat deze begrensd worden door het primaire belang van de kinderen. Het gaat immers over hún onderwijs.

In essentie zijn de leerlingen de klanten van de school. De ontwikkeling van de samenleving, waarbij ouders er in toenemende mate voor kiezen om beiden een baan te hebben, is een gegeven waar ouders én school niet aan voorbij kunnen gaan. Het heeft consequenties voor het gezinsleven en daarmee ook voor de pedagogische opdracht van de school. Een veilig en vooral structurerend pedagogisch schoolklimaat is dan ook meer dan ooit van groot belang, vooral voor jonge kinderen.

De wetgever gaat ervan uit dat de school zorgt voor een evenwichtige verdeling van onderwijsactiviteiten per dag. Toen dit werd bepaald had men zeker geen vierdaagse schoolweek op het oog. Sterker nog, in de oorspronkelijke versie van de Wet op het basisonderwijs stond zelfs dat het onderwijs op vijf of zes dagen kon worden gegeven. Pas op het allerlaatste moment, in juli 1985, is dit uit de wet verdwenen – blijkens de memorie van toelichting op technische gronden.

Juist die evenwichtige verdeling speelt leerlingen uit de onderbouw parten als zij vier (lange) dagen naar school gaan. Dit is bij uitstek het geval in groep 3 waar het aanvankelijk lees-, taal- en rekenonderwijs een prominente plaats innemen in het onderwijsaanbod.

Hoewel de publieke discussie anders doet vermoeden, hanteren verschillende scholen al enkele jaren de vrije vrijdag in de onderbouw.

Het zou goed zijn eens te rade te gaan bij leraren in groep 3, die reeds ervaring hebben met 15 of meer onderwijsvrije vrijdagen. Zij hebben de grootste moeite om het geplande onderwijsaanbod voor groep 3 te realiseren met alle gevolgen van dien voor de aansluiting met groep 4.

Met name de vijfde morgen in de week wordt node gemist als zeer nuttige onderwijstijd. Leertijd vormt immers een centrale schakel tussen het onderwijsaanbod dat de leraar in de klas verzorgt en de resultaten die de leerlingen behalen.

Bij voldoende onderwijstijd gaat het niet alleen om de kwantiteit, maar vooral over de kwaliteit van het onderwijs. Leraren in het basisonderwijs werken nu in een volledige betrekking 1659 klokuren per schooljaar.

Een alternatief zou nu kunnen zijn dat zij een veertigurige werkweek krijgen in 40 schoolweken; dat is 1600 klokuren per jaar. Er zijn dan nog 59 klokuren per schooljaar beschikbaar voor andere schooltaken als rapportavonden, ouderavond(en), huisbezoek, studie of andere schoolactiviteiten die van belang zijn voor goed onderwijs. Tegelijkertijd kunnen leraren ontlast worden van allerlei onderwijsvreemde activiteiten, die vooral ten tijde van het leerlingentekort (lees: werkloosheid) de school zijn binnengeslopen.

Naast de 40 schoolweken zijn er 12 weken schoolvakanties voor leerlingen én leraren. In de ogen van niet-leraren lijkt dat een ruime zaak.

Maar in werkelijkheid is sprake van het tegenovergestelde. Het geven van onderwijs is in de huidige tijd meer dan ooit een psychisch en lichamelijk intensief beroep. Het is goed voor het onderwijs dat leraren regelmatig afstand kunnen nemen, mits ook hun vakanties goed gespreid zijn. Soms wordt een aantal dagen vakantieverlof gebruikt voor (na)scholing, maar dat is een zaak van het overleg tussen werkgevers en werknemers in het onderwijs.

Ouders krijgen binnen bovengenoemd voorstel structurele duidelijkheid over de door hen te treffen voorzieningen en voor de naschoolse opvang. Zíj zijn daar immers voor verantwoordelijkheid en kunnen dat niet afwentelen op (de werknemers in) het onderwijs. Zij weten dat hun kinderen van vrijdag twaalf uur tot maandagmorgen geen school hebben. Wellicht is dit aanleiding voor ouders om te regelen dat ook zij vrijdagmiddag vrij zijn. Het lijkt me heel leuk voor de kinderen.

Het lerarentekort wordt met dit voorstel niet opgelost, maar de inzet van de lerarenformatie wordt voor schooldirecteuren wel minder problematisch. De kinderen zouden wel eens de grote winnaars van een dergelijke schooltijdenregeling kunnen zijn.

Jan Ebskamp is inspecteur bij het primair onderwijs.