Het winnende team van de BEB

Het economisch herstel van de jaren 1945-1952 staat op naam van kabinetten waarin Drees en Lieftinck en Van den Brink de lakens uitdeelden, maar het waren ambtenaren van het type Spierenburg die ervoor zorgden dat de winkels weer bevoorraad werden en er weer vensterglas geleverd werd. Glas was in '45 voor de Volkshuisvesting wat het Zweedse wittebrood na de hongerwinter voor de bevolking was. Aan niets was zo'n schreeuwend tekort als aan vensterglas. Het moest uit België komen en het kostte bloed, zweet en tranen om het daar weg te slepen. Dr. D.P. Spierenburg, topambtenaar van Economische Zaken, slaagde erin het los te praten en legde daarmee de basis voor zijn reputatie als Nederlands meest effectieve handelsdiplomaat. Na langdurige en moeizame onderhandelingen kwam Spierenburg met zoveel glas terug dat heel Nederland nog voor het invallen van de winter van '45-'46 weer bewoonbaar gemaakt kon worden.

In Parijs onderhandelde Spierenburg met een ogenschijnlijk gemak alsof hij met de Fransen, die niet van plan waren iets cadeau te doen, zat te kwartetten. ,,Mag ik van u staal en machines?'' En als het hem lukte: ,,Mag ik van u grondstoffen voor de chemische industrie?'' Nederland kon maar mondjesmaat aan de Franse vraag naar zuivelproducten voldoen, maar Spierenburg leverde het huzarenstuk met aanzienlijke hoeveelheden gips, hout, grondstoffen voor de chemische industrie, staal, machines, landbouwwerktuigen, personenauto's en autobussen thuis te komen.

Met de vermaarde dr. H.M. Hirschfeld behoorde Dick Spierenburg tot de lichting hoofdambtenaren van het directoraat-generaal voor de buitenlandse economische betrekkingen (BEB) die onder politieke leiding (maar niet in de schaduw) van Drees cum suis na de bevrijding voor de taak stonden de geplunderde economie nieuw leven in te blazen en de handel met het buitenland weer op gang te brengen. In de internationale fora waarin ze Nederland vertegenwoordigden stonden ze hun mannetje en blonken uit door een onderhandelingstechniek die sterk de aandacht trok. ,,Onze invloed was in die jaren groter dan onze omvang'', aldus Ernst van der Beugel in een voorwoord van een zojuist verschenen studie die gewijd is aan de eerste naoorlogse jaren van de BEB (Walter H. Salzmann: Herstel, wederopbouw en Europese Samenwerking, D.P. Spierenburg en de buitenlandse economische betrekkingen van Nederland 1945-1952; Sdu Uitgevers, Den Haag).

Het eerste exemplaar van het boek werd vorige week woensdag in het oude hoofdgebouw van Economische Zaken aan de Bezuidenhoutseweg overhandigd aan minister Annemarie Jorritsma. Dat gebeurde in aanwezigheid van de negentigjarige Spierenburg, wiens centrale rol in de wederopbouw uitvoerig in het boek wordt belicht, en van al zijn nog levende collega's van weleer: dr. C.L. Patijn (die in 1934 werd aangenomen), dr. Max Kohnstamm, dr. E.H. van der Beugel, mr. E.P. Wellenstein, de wat jongere drs. Norbert Schmelzer (die pas in 1950 kwam) en dr. J.R.M. van den Brink. De laatste was weliswaar geen man van de BEB (hij was op zijn 32e de jongste minister die Nederland ooit had gekend), maar hij had als minister zoveel met zijn ambtenaren op dat zij hem bij de BEB altijd als een lid van hun club hebben beschouwd. Het was een mooi reünistengezelschap dat tezamen op een aardig partijtje trofeeën kon terugkijken en dat de oude zaal waarin de gebeurtenis zich afspeelde een vanzelfsprekende historische onvergankelijkheid verleende.

Spierenburg en de zijnen zijn later allemaal in andere functies groot geworden, maar tot de dag van vandaag voelen zij zich pioniers van de BEB, verbonden zoals Van den Beugel het in zijn voorwoord noemt, door een gemeenschappelijk gevoel van nostalgie met het eind van de jaren veertig en het begin van de jaren vijftig, die in verschillende opzichten uniek waren. Grote jongens waren het, die grote dingen tot stand brachten en grote tijden beleefden. Van den Beugel noteert verrukt: ,,Wat een tijd! Bij zo'n uitroep denk ik onwillekeurig: dat zou ik ook gezegd hebben als ik in die jaren door mijn baas naar Parijs was gestuurd. En jawel, wat laat Salzmann in zijn subtiele ontleding van de vele onderhandelingsronden die in Parijs werden gehouden Hirschfeld zeggen? Dat ze te vaak naar Parijs gingen en er te lang bleven hangen. ,,De Franse hoofdstad bleek een grote – welhaast onweerstaanbare – aantrekkingskracht op het Nederlandse ambtenarencorps uit te oefenen. Vergaderingen werden aangegrepen om het verblijf met enkele dagen te verlengen en de delegaties waren groter dan vereist'', aldus Salzmann. Zoals men van Drees kon verwachten werd er gauw een stokje voor gestoken.

Van der Beugels nostalgie over de beginjaren van de BEB heeft natuurlijk ook een politieke basis: het was de tijd toen Nederland internationaal nog meetelde. De Nederlandse stem in de diverse organen die aan de wieg stonden van de Europese integratie werd nog gemeten naar het gewicht van de Benelux, dat nooit zo groot geweest is als in die jaren. De Benelux speelde bij het begin van de Europese samenwerking een belangrijke rol en werd op internationale conferenties op voet van gelijkwaardigheid aan Frankrijk en Groot-Brittannië behandeld. De Benelux legde politiek zoveel gewicht in de schaal dat zij de Franse plannen om de wederopbouw van de Duitse zware industrie de nek om te draaien kon torpederen.

Spierenburg en zijn collega's waren pioniers die uit de ravage van de oorlog een nieuwe economische structuur moesten scheppen. Ze waren voor een groot deel aangewezen op eigen inzichten maar vooral op eigen improvisatie en ze beschikten, zoals Salzmann schrijft, over een opmerkelijke vrijheid van handelen die naar Nederlandse maatstaven uniek was. In die onderhandelingsvrijheid moet ongetwijfeld de verklaring worden gezocht voor de successen die het winnende team van de BEB in die jaren boekte. De lijn waaraan de BEB-ambtenaren liepen was zo lang dat zij er geen last van hadden. De romantische voorstelling die Van den Brink daarvan in zijn toespraak gaf dateert, zo realiseerde ik mij, uit de tijd toen politiek en wetenschap de vierde macht nog niet hadden ontdekt.