Herfkens' lijst

EN TOEN WAREN er nog maar zeventien. De lijst van landen waarmee Nederland een bilaterale hulprelatie onderhoudt, wordt drastisch ingekort nu de Tweede Kamer zich achter het beleid van minister Herfkens (Ontwikkelingssamenwerking) heeft geschaard. Het Nederlandse ontwikkelingsbeleid wordt hierdoor helderder, doorzichtiger en op den duur ook geloofwaardiger. Herfkens verdient alle lof dat ze binnen een jaar een einde heeft gemaakt aan de profileringsdrang van Pronk, die landen aan zijn beleid toevoegde als kralen aan een ketting.

Het Kamerdebat van gisteren toonde ook aan dat de dagkoersen van de politieke emotie een rol blijven spelen in het ontwikkelingsbeleid. Na de Kosovo-oorlog staat de Balkan in het middelpunt van de belangstelling en de Kamer vond dat niet alleen Herfkens' favoriet Macedonië, maar ook Albanië en eventueel andere landen in de regio op de Nederlandse hulplijst moeten komen. Het zou ongetwijfeld efficiënter zijn de Balkanhulp onder te brengen in de multilaterale inspanning die daarvoor wordt opgezet. Soortgelijke kanttekeningen kunnen bij andere voorkeuren van Herfkens worden gemaakt: Nederland gaat een langdurige verbintenis aan met deze landen, maar de conjunctuur kan snel omslaan – in positieve dan wel negatieve zin.

Na de opschoning is het bedrag beschikbaar voor bilaterale hulp – ongeveer anderhalf miljard gulden – verdeeld over zeventien landen, gemiddeld 88 miljoen gulden per land. Per land is dat nog steeds niet verschrikkelijk veel. Daarnaast blijven er speciale betrekkingen bestaan met een ruimer aantal landen en krijgen de medefinancieringsorganisaties die particuliere hulpprojecten steunen, meer armslag.

DE ONTWIKKELINGSHULP van de afgelopen vijftig jaar heeft op een spectaculaire wijze gefaald. Veel geld is verkeerd gebruikt, terechtgekomen bij Westerse exporteurs, verdampt in corruptie of verspild aan `witte olifanten'. De relatie tussen de hulp en het beoogde doel – welvaartsvergroting – is nauwelijks aantoonbaar. Voor een aantal armste landen hebben de rijke landen onlangs afgesproken dat ze de officiële hulpschulden net zo goed kunnen kwijtschelden omdat ze toch niet afgelost kunnen worden. Veel landen zijn daarmee overgeleverd aan de internationale bijstand.

De Wereldbank heeft het afgelopen jaar studies verricht waaruit blijkt dat de omstandigheden in de ontvangende landen van doorslaggevende invloed zijn op het effect van de hulp. Het is duidelijk dat landen in (burger)oorlog of chronische sociale strijd geen perspectief op ontwikkeling hebben. Daarnaast zijn gezond economisch beleid (lage inflatie, evenwichtige begroting, realistische wisselkoers, openheid voor handel en markt) en fatsoenlijke instituties (afwezigheid van corruptie, behoorlijk bestuur, politieke openheid en functionerend juridisch systeem) essentieel. Afgezien van noodhulp en de instandhouding van clientèlerelaties heeft het eigenlijk geen zin ontwikkelingshulp te geven aan landen die niet aan deze voorwaarden voldoen. De gewenste resultaten blijven uit en de averechtse effecten zijn groot.

HERFKENS BEGINT deze benadering door te zetten in het Nederlandse beleid. Voor een prominent donorland als Nederland is dat de verstandigste manier om het geld van de ontwikkelingsbegroting te besteden.