De suikertrein van Malang

Indonesië verkeert na de parlements- verkiezingen van 7 juni nog altijd in onzekerheid over de stembusuitslag door vertragingen bij het tellen van ruim 100 miljoen stemmen. Maar hoe de nieuwe regering er uit- eindelijk ook uitziet, zij zal worden geconfronteerd met de al twee jaar durende econo- mische crisis waarmee het land kampt. Wat de gevolgen zijn van die crisis vertellen de mannen op de stroomtrein van de suikerfabriek PT Kebon Agung.

Het fluiten van de stoomtrein weerkaatst over de sawahs en bonkend en schuddend verdwijnt hij uit het zicht van de suikerfabriek van Malang, PT Kebon Agung. Aan boord van de trein zijn behalve de machinist, vier bijrijders, herkenbaar aan de gaten in hun T-shirts veroorzaakt door de vonken afkomstig uit de schoorsteen van de trein, en een in blauw uniform gestoken satpam oftewel bewaker van het bedrijf.

De fabriek, een hoog en schonkig geval, draait op volle toeren: het is oogsttijd en er worden drieploegendiensten gedraaid. Het in 1937 door de Nederlanders gebouwde complex heeft veel weg van een beest dat aan de voorzijde met zijn een hydraulische muil wagonladingen riet opslokt, aan de achterzijde pulp en as afscheidt, terwijl ergens aan de zijkant balen geraffineerde suiker van de lopende band rollen. Twee lange schoorstenen braken continu zwarte rookwolken uit. Deze bedrijvigheid is paradoxaal want, zoals de mannen op de trein vertellen, de fabriek is bankroet en overgenomen door de nationale bank, Bank Indonesia. Wat dat betreft is PT Kebon Agung een metafoor voor de hele Indonesische economie die ondanks een schuldenlast van 150 miljard dollar op een of andere manier blijft voorthobbelen.

Suikerriet wordt tegenwoordig uit de verre omtrek aangevoerd in vrachtwagens. Maar in de nabije omgeving van de suikerfabriek werd destijds een smalspoornet aangelegd dat nog steeds functioneert, zij het met mate. Het spoor is allang niet meer egaal waardoor de trein zich voortbeweegt als een dartel kalf. Wie op de met mahoniehoutblokken gevulde tender zit, moet oppassen niet te worden afgeworpen.

Ook locomotief Nummer 10, van Duitse makelij en antiek, gebouwd vlak na de Eerste Wereldoorlog, is versleten en kan niet zonder de intensieve zorg van pak (meneer) Nur Ali, die al sinds 1963 monteur is in de remise van het bedrijf. Hij was het, die toen de trein langzaam het rangeerterrein achter de fabriek afstoomde, regelmatig naar voren holde om de vele wissels om te zetten. En hij is het die als de sepor keletuk (Javaans voor tjoektjoek-trein) weer eens sissend halt houdt omdat de druk van de ketel wegvalt, de boel met steeksleutels en stukjes ijzerdraad weer op gang brengt.

,,De machine kan niet veel hebben'', zegt Nur Ali, terwijl hij een ventiel fikst, ,,Vooral de verbindingsstukken en pakkingen sluiten niet meer goed af, waardoor de druk niet te groot mag worden. Dat betekent dat we de snelheid niet te hoog kunnen opvoeren, zoals de directie wil.'' Reserve-onderdelen voor de in totaal zeven stoomlocomotieven van de fabriek, waarvan er overigens drie te koop staan, zijn allang niet meer te krijgen.

Niet zonder trots vertelt Nur Ali dat hij en zijn collega's in de werkplaats de meeste onderdelen zelf kunnen maken. Voor zover dat niet lukt, worden twee locomotieven gekannibaliseerd. In de remise had de opzichter, Mujianto, uitgelegd dat er geen geld is voor investeringen in nieuw materieel. De fabriek heeft ooit wel twee dieseltreinen aangeschaft, maar de stoomlocomotieven zijn goedkoper in het gebruik: vijftigduizend roepia (ongeveer 14 gulden) per dag.

Als de locomotief weer sissend, vonkend en fluitend op gang komt, valt op dat in de omgeving van de suikerfabriek eigenlijk overwegend rijst wordt verbouwd. De twee hulpen, Solichin en Abdulwahid, die op de houtblokken in de tender zitten, weten wel waarom. ,,Rijst brengt nu eenmaal meer op dan suiker'', zegt Abdulwahid. Eigenlijk, zo legt Solichin uit, zijn zij beiden rijstboeren. Maar gedurende de suikeroogst werken ze tijdelijk bij de fabriek om bij te verdienen.

Tot vorig jaar werd de suikerprijs kunstmatig bepaald door het Logistiek Bureau (BULOG) van de staat dat tot taak had de prijzen voor de negen eerste levensbehoeften, de zogeheten sembako, te stabiliseren. ,,Honderd kilo suikerriet bracht toen 17.000 roepia (nu ongeveer vijf gulden) op, nu nog maar 11.000'', zegt Solichin, ,,Omgekeerd waren we eerst verplicht onze rijst tegen 900 roepia per kilo te verkopen aan BULOG. Nu kunnen we 1.500 roepia per kilo krijgen op de vrije markt.''

BULOG, dat gold als een van de broeinesten van corruptie, werd vorig jaar afgeschaft als gevolg van de overeenkomst die de Indonesische regering sloot met het Internationaal Monetair Fonds om het land uit de monetaire crisis te tillen. Maar inmiddels gaan er stemmen op om het prijsstabiliseringsmechanisme van BULOG weer tot leven te wekken voor de suikerbranche. De Indonesische suikerindustrie zit op dit moment zwaar in de problemen: van de 68 suikerfabrieken hebben er, volgens de ochtendkrant Kompas, inmiddels acht de poorten gesloten. En vorige week vroegen de verenigingen van boeren (HKTI) en van suikerfabrikanten (AGI) de regering om een importheffing te installeren van 65 procent. De belangenorganisaties beschuldigen India en Europa van dumping van suiker op de Indonesische markt.

Maar de Vereniging van Voedsel en Drankproducenten (Gapmmi), die gebaat is bij lage suikerprijzen, verzet zich hevig tegen de importheffing. Voorzitter Thomas Darmawan zei afgelopen maandag tegen The Indonesian Observer dat het probleem ligt bij de verouderde Indonesische suikerfabrieken, die niet efficiënt produceren, en dat bovendien het rietsuikerareaal afneemt. De regering heeft eerder beloofd een fonds in te stellen ter waarde van 1.7 triljoen roepia (ongeveer 290 miljoen gulden) om suikerfabrikanten in staat te stellen de boeren een betere prijs te geven voor hun product en hun er zo van te weerhouden de overstap te maken naar een ander gewas.

Op de tender halen Solichin en Abdulwahid hun schouders op: ze geloven niet dat het fonds er komt. En dat is niet verwonderlijk want de ervaring met overheidsfondsen in Indonesië leert dat het geld meestal ergens anders terecht komt dan bij de doelgroep. Een recent voorbeeld is de knoeierij met Wereldbankgelden, bedoeld voor het Sociale Vangnet dat de effecten van de crisis moet verzachten voor de allerarmsten om zo verdere sociale onrust te voorkomen. Maar de Bond voor Stedelijke Armen in Jakarta onthulde onlangs dat regeringspartij Golkar en de aan minister Adi Sasono voor Coöperaties en kleine bedrijven gelieerde Volkssoevereiniteitspartij (PDR) geld uit dat fonds hebben gebruikt om stemmen te kopen voor de parlementaire verkiezingen van 7 juni.

Ook de partijen die nu aansturen op een invoerbelasting voor suiker zouden, volgens een anonieme bronnen van de The Indonesian Observer, uit zijn op zelfverrijking. Het zou gaan om importeurs die duizenden tonnen suiker belastingvrij het land hebben binnengebracht, en die voorraden tegen hoge winsten willen verkopen: de importheffing wordt immers in de prijs doorberekend.

De locomotief stopt in een dorpje bij een waroeng voor een maaltijd, en aan tafel blijkt dat eigenlijk de gehele bemanning bijboert naast het werk op de fabriek. Pak Yadji bijvoorbeeld, de bewaker, die mee is om het geheel een officieel cachet te geven, bezit een hectare grond waar hij salak verbouwt, een populaire harde zoet/zure vrucht. Het land heeft hij geërfd van zijn vader en vertegenwoordigt een aanzienlijk bezit: Solichin en Abdulwahid pachten hun grond, zoals de meeste rijstboeren in Java. ,,Van de opbrengst van de salak, betaal ik het schoolgeld voor mijn twee kinderen'', zegt Yadji, ,,Van mijn werk op de fabriek leven we.''

Pak Yadji vertelt dat zijn eigenlijke beroep dalang is: de poppenspeler en verhalenverteller in het wayangspel dat in de Javaanse dorpen nog altijd immens populair is. Na de middelbare school is hij vier jaar in de leer geweest bij een befaamde dalang in de koningsstad Solo in Midden-Java. ,,Maar daarna had ik geen werk. Nur Alin is mijn oom en hij regelde dat ik bij de fabriek aan de slag kon. Ik ben niet alleen bewaker: ik organiseer ook de culturele vorming voor de arbeiders.''

Af en toe treedt hij nog wel op als poppenspeler: een voorstelling die meestal `s avonds begint en voortduurt tot de vroege ochtend levert anderhalf miljoen roepia op. Maar dat bedrag moet hij delen met het gamelanorkest dat uit twintig personen kan bestaan. Inhoudelijk heeft hij sinds het tijdperk van de `reformasi' zijn intrede gedaan heeft meer vrijheid gekregen, vertelt Yadji terwijl hij een diepgefrituurde vis, een lele, wegwerkt. ,,Tijdens de Nieuwe Orde stonden wij onder strenge controle: alle dalangs waren verplicht lid van dezelfde organisatie, de Eenheids Dalang Vereniging van Indonesië (SDSI) en we moesten bijvoorbeeld campagne voeren voor de regeringspartij Golkar of bepaalde regeringsprogramma's.''

Het huidige tijdperk van de `reformasi', na het aftreden van oud-president Soeharto vorig jaar mei, betekent voor Yadji dat hij uit de knellende dalangvereniging is gestapt. ,,De verhaallijnen van de hindu-geschiedenissen die wij vertellen liggen natuurlijk vast. Maar je kunt je creativiteit kwijt in de dialogen tussen de verschillende poppen.'' Hij glimlacht en schudt zijn hoofd op de vraag of hij tegenwoordig de regering kritiseert in zijn voorstellingen. ,,Nee, je moet zijn als de rijpe paddi, de rijstplant, die zwaar van de rijskorrels naar de grond kijkt en niet omhoog.''

Die nederigheid betekent echter niet dat er geen ironische boodschappen worden overgebracht, zo legt Yadji uit: een verhaal kan bijvoorbeeld gaan over het misdadig gedrag van de tweede zoon van een vorst. Nummer twee was tijdens voorgaande verkiezingen altijd het cijfer van regeringspartij Golkar. ,,De mensen in het publiek genieten van zulke indirecte verwijzingen'', zegt Yadji. Bovendien lijkt het hem beter beter voorzichtig te blijven zolang Golkar, de erfgenaam van de Nieuwe Orde, nog niet van het toneel is.

Een lauwe motregen begint neer te dalen als Locomotief Nummer 10 uiteindelijk weer de fabriekspoort van Kebon Agung nadert. Voor de poort verkopen jongetjes snoep, sigaretten en kranten. Een middagkrant meldt dat landbouwminister Soleh Solahuddin akkoord gaat met een invoerbelasting voor suiker om de binnenlandse suikerbranche te beschermen.