Barbaren

De haven ligt in de avondzon als we uitvaren. De olierook trekt zwarte strepen langs de lucht, en dan glijdt de stad weg, de groene boulevard, de trappen, de kranen en de zwetende mannen van de haven, de vuurtoren. We banen ons een weg door de rij schepen die voor de kust ligt te roesten, zonder vracht, zonder geld voor brandstof. En dan varen we de Zwarte Zee op, die vreemde, halfdode zee van Jalta waar Europa werd opgedeeld. Die zee ook waar de tweeling `beschaving' en `barbaarsheid' de eerste stappen zette.

Hier hebben de eerste Griekse kolonisten de Scythen ontmoet, een confrontatie tussen een gevestigde cultuur van stadsstaten en een beweeglijke beschaving van steppenomaden. Het was, schrijft Neal Ascherson in zijn schitterende `Zwarte Zee', de eerste `koloniale' ontmoeting in de Europese geschiedenis, omdat de Grieken zich vragen begonnen te stellen. Vragen die nog altijd onder ons voortleven. Over het eigen rationele gedrag, dat zich losmaakt van wat `natuurlijk' is. Maar vooral over `beschaving' en `barbaarsheid', over `anders' en `minder', over `culturele identiteit' en `grenzen trekken'.

`Deze ontmoeting markeert', schrijft Ascherson, `het begin van de gedachte van `Europa', compleet met alle arrogantie, al die implicaties van superioriteit, al die aanmatiging van prioriteit en oudheid en al die pretentie van een natuurlijk recht tot overheersen.'

Een volle dag zien we geen land. Het schip, hoog en leeg, slingert als een bierblik over de golven. Drie keer per dag eten, dolfijnen voor het schip, wit schuim erachter, dat is het leven.