1974: autonomie verbreedt kloof

De intocht van KFOR in Kosovo en de teloorgang van het Servische gezag is een nieuw hoofdstuk in de lange geschiedenis van de regio en de relaties tussen Serviërs en Albanezen. De geschiedenis van Kosovo, Servië en Albanië in acht delen. Vandaag het zesde deel, de periode 1974-1981.

Het federale Joegoslavië van Josip Broz Tito was begin 1974 af. Het laatste stukje in de puzzel werd een grondwet die als de meest omstandige van de wereld de geschiedenis is ingegaan. Decentralisering werd het motto van Tito's laatste jaren. Kosovo en de Vojvodina kregen de status van autonome provincie binnen de Servische deelrepubliek.

De provincies werden geen aparte republieken omdat de Hongaren in de Vojvodina en de Albanezen in Kosovo beschouwd werden als delen van een volk dat door omstandigheden elders een eigen vaderland had: Hongarije en Albanië. De anderen – Serviërs, Bosniërs, Macedoniërs, Kroaten, Slovenen, Montengrijnen – hadden zo'n eigen land niet en kregen in Joegoslavië daarom een eigen deelrepubliek, met recht op afscheiding. Die (toen nog theoretische) vrijheid was voor de autonome provincies niet weggelegd.

Maar de provincies werden in 1974 wel zelfstandige eenheden binnen de federatie. Kosovo hoefde niet langer verantwoording af te leggen aan Servië maar aan de Joegoslavische federatie en dat had enorme gevolgen voor de ontwikkeling van de Albanese bevolking die zich jarenlang achtergesteld voelde en nu ineens de vleugels uit kon slaan: 1974 was hun bevrijding.

Binnen de kortste keren had Kosovo een eigen Albaneestalige universiteit, een eigen Academie van Wetenschappen, een eigen nationaal theater en eigen radio en televisie die in het Albanees uitzonden. De autonome provincies Vojvodina en Kosovo kregen ook het recht zelfstandig verdragen te sluiten met vreemde staten. De Kosovo-Albanezen aarzelden niet de banden met het moederland Albanië aan te halen en de vlag van Albanië tot hun eigen vlag te verheffen.

Dat kon omdat het regime van de stalinist Enver Hoxha sinds enige tijd gevoelig was gebleken voor de toenaderingen van Tito. Beide landen waren vreemde eenden in de communistische bijt en leefden op gespannen voet met Moskou. De invasie van het Rode Leger in Tsjechoslowakije (1968) had beide heren aan het denken gezet en met name Tito tot de conclusie gebracht dat hij moest proberen zoveel mogelijk bondgenoten op de Balkan te zoeken.

Economisch bracht dat nauwelijks iets op. Er werden enkele gezamenlijke projecten opgestart, maar Albanië was nog veel armer dan Kosovo zelf en had wat dat betreft weinig te bieden. Cultureel en politiek daarentegen des te meer. Met leerboeken en leerkrachten uit het Albanië van Enver Hoxha werd de universiteit van Priština in korte tijd volkomen gealbaniseerd. Het Servo-Kroatisch werd langzaam maar zeker verdrongen door het Albanees. In 1981 studeerden er al 54.000 studenten in Priština.

Het gevolg: een culturele explosie met een sterk nationalistisch karakter. De Kosovo-Albanezen werden geen ingenieurs of bruggenbouwers, maar historici, filosofen en andere deskundigen van eigen cultuur en ziel. De Vlaamse deskundige Raymond Detrez spreekt van een ,,academisch proletariaat van geschoolde, maar werkloze, ontevreden en meestal zeer nationalistisch gevormde jongeren' die ,,zich zouden zich ontpoppen als de vertolkers van het algemene Kosovaarse ongenoegen'.

Dat stimmuleerde het ongenoegen aan de Servische kant. Het openbare leven werd tweetalig, ook voor Serviërs die nog nooit Albanees hadden gesproken. Veel Serviërs begonnen hun kinderen naar scholen buiten Kosovo te sturen om zo aan het verplichte onderwijs van het Albanees te ontkomen. Ze voelden zich in toenemende mate bedreigd door de Albanisering die de grondwet tot gevolg had. De grondwet, die later door de opsteller zelf niet helemaal gelukkig werd genoemd, leidde tot positieve discriminatie ten gunste van de Albanezen, op scholen, in ziekenhuizen, in gemeentebesturen en op tal van andere plaatsen waar de Serviërs traditioneel de dienst uitmaakten.

Economisch veranderde er weinig in de jaren zeventig. Kosovo bleef veruit de armste provincie. Als er al geïnvesteerd werd, ging het geld naar eenzijdige projecten als de mijnbouw rond Mitrovica waar grote industriële bouwwerken fel contrasteerden met de armoedige huizen en straten eromheen. In Kosovo werd geen geld verdiend, alleen uitgegeven. Het verschil met de andere delen van de federatie groeide. Gemiddeld verdienden de inwoners van de rest van Joegoslavië drie keer zoveel als de Kosovaren en die van de rijkste deelrepubliek, Slovenië, zelfs zes keer zoveel.

Terwijl de nieuwe grondwet het nationale gevoel van de Albanezen versterkte en de Serviërs onder druk zette, groeide in heel Kosovo de werkloosheid, van 18 procent in 1974 naar bijna 28 procent in 1981. De economie bleef stilstaan maar de Albanese bevolking groeide in een ongekend tempo. Dertig procent van de vrouwen van 15 jaar en ouder had meer dan zes kinderen.

Kosovo begon langzaam te koken. Al in 1974 trad de Joegoslavische overheid op tegen ondergrondse marxistische studentenorganisaties die ijverden voor de aansluiting van Kosovo bij Albanië of de schepping van een Groot-Albanië. Er werden forse gevangenisstraffen uitgedeeld. In 1978 braken onlusten uit in Prizren, waar de Albanezen de honderdste verjaardag van de Liga van Prizren vierden. Tijdens zijn laatste bezoek aan Kosovo in 1979 kon Tito zelf vaststellen dat zijn gedecentraliseerde grondwet niet werkte. Hij overleed een jaar later. In 1981 volgde de eerste grote geweldsexplosie in Kosovo.