Varkenshouder verdient het minst

Varkenshouders hebben vorig jaar gemiddeld 85.000 gulden verlies geleden. Ze zijn daarmee de minstverdienende boeren van Nederland. Het hoogste inkomen hadden de bloemenkwekers: bijna 150.000 gulden. Dat blijkt uit cijfers die het Landbouw Economisch Instituut LEI-DLO vandaag publiceert.

Voor de land- en tuinbouw was 1998 een bizar jaar met sterk veranderde producties en prijzen. Aardappelen en suikerbieten gingen verloren door wateroverlast. Na de varkenspest zijn er bovendien zoveel varkens gekomen dat varkensvlees en biggen zeer goedkoop werden. De verdiensten van varkensboeren zijn vele tienduizenden guldens gezakt.

Kippenhouders deelden in de malaise. De eigenaar van een legkippenbedrijf zag zijn jaarinkomen met een ton dalen tot slechts 5000 gulden. Fruittelers kampten ook met lage opbrengsten. Zij hielden gemiddeld 6000 gulden over.

De geringe verdiensten staan in schril contrast met de florissante gezinsinkomens van glastuinbouwbedrijven. Door de bloeiende export zagen vooral de bloemenkwekers hun inkomen gemiddeld met een halve ton stijgen tot 150.000 gulden. Glasgroentetelers (97.000 gulden ) en in mindere mate ook plantenkwekers (145.000 gulden) deden een stap terug. Vergeleken met 1997 ging het ook beter met telers van champignons en bloembollen.

Ietsje matiger ging het met de melkveehouders. Melk is vorig jaar goedkoper geworden en de verwachtingen zijn niet zo gunstig. Voor dit jaar raamt het LEI een verdere teruggang. De melkveeboeren verdienden gemiddeld 53.000 gulden, 9000 minder dan het jaar ervoor. De verschillen tussen de melkveeboeren zijn echter groot. Een op de vijf houdt amper geld over, terwijl evenzoveel collega's 150.000 gulden verdienen.

Als geheel heeft de agrosector veel geld binnengebracht. Het verschil tussen invoer en uitvoer steeg tot bijna 37 miljard gulden. Het meeste geld ging om bij de sierteelt, die voor het eerst meer dan tien miljard verhandelde. (ANP)