Met rust gelaten

EEN FRISSE WIND, zo valt de nota Wetenschapsbudget 2000 van minister Hermans (Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen) nog het best te karakteriseren. Afgelopen donderdag stuurde de bewindsman de nota onder de titel Wie zaaien wil moet oogsten naar de Tweede Kamer. De twee hoofdlijnen in de kabinetsplannen voor het wetenschapsbeleid voor de komende vier jaar, te weten meer autonomie bij de instellingen en ruim baan voor fundamenteel, vernieuwend onderzoek, betekenen zonder meer een breuk met het dirigisme en de wil tot centrale politieke sturing die kenmerkend waren voor het tijdperk Ritzen (1989-1998).

Fundamenteel onderzoek is een kwestie van lange adem. Het gaat om wetenschap met een ongewis karakter, gestuurd door intrinsieke vragen. Onzeker is of het op termijn tot nuttige toepassingen zal komen. Niettemin is de huidige maatschappij ondenkbaar zonder fundamentele doorbraken uit het verleden. De transistor uit 1948 vormt de basis van de informatietechnologie van nu, en met getaltheorie, vroeger het toppunt van esoterische wiskunde, kunnen banken hun gevoelige informatie waterdicht gecodeerd de wereld rondsturen. Het hinderen van fundamenteel onderzoek frustreert niet alleen de voortgang van de wetenschap van vandaag, maar ook de maatschappij van morgen.

Toch heeft het fundamentele onderzoek het de afgelopen tijd zwaar te verduren gehad. In het bedrijfsleven hebben op de korte termijn gerichte managers van productdivisies er nog maar weinig behoefte aan. En op de Nederlandse universiteiten loopt vernieuwend onderzoek langzaam maar zeker vast door onvoldoende geld, beknotting van inventiviteit, een overmaat aan bureaucratie en een gebrek aan doorstroming van jong talent.

HET IS DE VERDIENSTE van minister Hermans dat hij dit probleem onderkent en met een serie maatregelen komt. Uitgangspunt is dat de onderzoeker met rust gelaten moet worden. Dus: zelfregulering en autonomie bij de universiteiten en de onderzoeksorganisaties, zodat de beheerslast omlaag kan en de onderzoeker kan onderzoeken en niet langer permanent formulieren hoeft in te vullen. Hermans gunt het veld zijn eigen verantwoordelijkheid. Bovendien staakt hij het bevoordelen van grote dure bèta-toponderzoekscholen ten faveure van kleinere eenheden en zal hij er op toezien dat ook alfa's en gamma's aan hun trekken komen.

De onderzoekers zullen hem dankbaar zijn, maar voor uitgelatenheid bestaat vooralsnog weinig reden. Om de flexibiliteit en het vernieuwingsvermogen van het fundamentele onderzoek te verbeteren, komt Hermans met een `Vernieuwingsimpuls' van 75 miljoen gulden per jaar. Daarvan is tien miljoen nieuw geld, en dat komt pas in 2003 beschikbaar. Gezien de ernst van de zaak, door de minister in zijn nota zelf onderkend, een mager bedrag. Niet alleen in de samenleving behoeft het draagvlak voor fundamenteel onderzoek verbreding, ook in het kabinet.

HET GELD UIT DE Vernieuwingsimpuls wordt verdeeld door NWO, de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek. Daarbij moet NWO van de minister scherp letten op wat allerlei sectoren uit de maatschappij aan wensen op tafel leggen. Hier ligt een risico. Natuurlijk moet er fundamenteel onderzoek gedaan worden op die gebieden waar de samenleving baat bij heeft – de gedachte dat wetenschap los zou moeten staan van iedere maatschappelijke realiteit is lang verlaten. Maar tegelijk moeten dwarse briljante geesten hun eigen pad kunnen volgen – wie weet wat het ooit nog eens oplevert. Pas een Vernieuwingsimpuls die niet te veel wil afbakenen, schept werkelijk creatieve ruimte.