De democratie moet dringend worden aangepast

Regelmatig klinken bezorgde stemmen over de geringe betrokkenheid van de burgerij bij de politiek. Maar het wordt de burgers bijvoorbeeld tijdens verkiezingen ook onnodig moeilijk gemaakt, meent Peter Rehwinkel.

In nog geen anderhalf jaar tijd zijn in ons land vier keer verkiezingen gehouden. Bij elk van deze verkiezingen bereikte de opkomst een laagterecord. Dit is merkwaardig, want de algehele politieke interesse onder de bevolking is de afgelopen tientallen jaren niet gedaald maar gestegen. De Nederlandse burger is eveneens tevredener over het functioneren van de democratie dan toen net de opkomstplicht was afgeschaft. De vraag moet dan ook worden gesteld of de oorzaak van in bepaalde opzichten verminderde democratische participatie niet meer bij de overheid dan bij de burger moet worden gezocht.

Bij de Europese verkiezingen van twee weken geleden ging nog geen dertig procent van de kiezers naar de stembus. Toen deze verkiezingen in 1979 voor het eerst werden gehouden, was dat bijna het dubbele. De opkomst bij de Provinciale-Statenverkiezingen daalde in dezelfde tijd niet veel minder: van 80 procent eind jaren zeventig naar 46 procent in maart van dit jaar. Ten aanzien van Tweede-Kamer- en gemeenteraadsverkiezingen is het beeld niet zo ongunstig. Toch loopt ook bij deze verkiezingen de opkomst reeds geruime tijd terug, vooral als de kiezer kort tevoren al naar de stembus moest.

Minister Peper van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kondigde onlangs een onderzoek aan naar de redenen voor burgers om hun stem niet uit te brengen. Zo'n initiatief had de landelijke overheid veel eerder kunnen nemen, er is reeds jaren aanleiding voor. De provincie Limburg heeft de zorgwekkende trend beter onderkend. Onder de titel `Limburg kom op!' verscheen aan de Universiteit van Maastricht een onderzoek naar de lage opkomst in Limburg bij provinciale en nationale verkiezingen.

Vooral in de oudere stadswijken van Nederland, waar bijvoorbeeld het opleidingsniveau lager is dan in de rest van de steden, bestaat aanleiding tot zorg. In de Haagse Schildersbuurt bijvoorbeeld bleven bij de Europese verkiezingen tussen de acht en negen op de tien mensen thuis. Korsten en Janssen van de Universiteit van Maastricht spreken over `electoraal vrijwel verloren wijken'. Met het grote-stedenbeleid wordt in deze wijken geprobeerd verbetering van de leefomstandigheden tot stand te brengen. Specifieke aandacht voor democratische participatie zou echter een wezenlijk onderdeel van het grotestedenbeleid dienen te zijn. Met andere woorden: laat de overheid heel gericht politieke kennis en interesse bevorderen die in deze gebieden (wel) ontbreken. Onconventionele methoden moeten daarbij niet worden geschuwd. Waarom verplichten wij nieuwkomers in de Nederlandse samenleving tot inburgering en stelt de overheid zich ten opzichte van anderen - als het om betrokkenheid bij die samenleving gaat - erg vrijblijvend op? Er ontstaan ook serieuze problemen met de representativiteit van volksvertegenwoordigingen als bepaalde sociale klassen verstek laten gaan.

Wie van de kiezer verlangt dat hij zijn stem uitbrengt, heeft als eerste taak de condities hiervoor optimaal te maken. Wanneer in anderhalf jaar tijd vier keer verkiezingen worden gehouden, wordt wel een erg groot beroep op burgerschap gedaan. Gevolg: aanzienlijke groepen kiezers blijven thuis. Verschillende verkiezingen kunnen worden gecombineerd, zo luidt de suggestie die al enige tijd geleden door de PvdA-fractie is geopperd. Politieke leiders van andere partijen hebben zich daar na de laatst gehouden Statenverkiezingen bij aangesloten. Geprobeerd zou moeten worden om zo snel mogelijk een wettelijke regeling tot stand te brengen.

Daartegenover bestaat juist ook te weinig stemgelegenheid in Nederland. Weliswaar zijn de openingstijden van stembureaus verlengd en worden mobiele stembureaus op bijvoorbeeld stations ingericht, het kan de kiezer nog zoveel gemakkelijker worden gemaakt. De vraag is of niet eenvoudiger op een ander stembureau moet kunnen worden gestemd, in ieder geval binnen de eigen gemeente, zodat meer mensen hun democratische plicht kunnen vervullen op een plek waar dat uitkomt (bijvoorbeeld tijdens de lunchpauze op het werk). De gang naar de stembus hoeft toch niet een hindernisbaan te zijn?

En dan zijn we er nog niet. Het kost politici en bestuurders wat moeite, maar er dienen stevige stappen in het digitale tijdperk te worden gezet. Deze worden misschien ook onconventioneel gevonden, maar zijn wel noodzakelijk. Onze democratie is de democratie van Thorbeckes kroontjespen. Wie als geïnteresseerde burger probeert om via Internet overheidsinformatie te bemachtigen, merkt het gauw: daar helpt diezelfde overheid hem meestal niet aan. Om de hand in eigen boezem te steken: de `site' van de Tweede Kamer blijft vooralsnog in goede bedoelingen steken. Zelfs als Kamerlid lukt het vaak niet om thuis via het net de documenten op te vragen die nodig zijn. De Nederlandse burger kan bovendien wel zijn bankzaken via de telefoon regelen, maar niet telefonisch stemmen (behalve dan bij onlangs gehouden waterschapsverkiezingen). Via Internet wordt over de hele wereld gewinkeld, maar in ons land geen gemeenteraadslid gekozen of de mening over publieke zaken gevraagd. De opkomst van de informatie- en communicatietechnologie noodzaakt afstand te nemen van Thorbeckes kroontjespen. Bram Peper zal zich realiseren dat in vrijwel alle Nederlandse huishoudens een telefoon of pc aanwezig is. Voortvarend overheidsoptreden moet de democratie aanpassen aan de eisen van de tijd. Interactief verkeer tussen overheid en burger vergroot zonder enige twijfel de betrokkenheid bij de politiek. Bedenk hierbij dat vooral jongeren, die over het algemeen vaardig zijn met de computer, de neiging vertonen om bij verkiezingen thuis te blijven.

Uit onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau bleek vorig jaar dat onder de bevolking een toenemend belang wordt gehecht aan actief burgerschap. De kiezer wenst meer invloed bij belangrijke maatschappelijke beslissingen. Het is onaanvaardbaar dat de tevredenheid over het functioneren van de democratie in Nederland toeneemt, bovendien de intentie om te stemmen betrekkelijk stabiel is, maar opkomstcijfers in soms forse mate teruglopen en geen nieuwe vormen van raadpleging worden gezocht. Soms heb je het gevoel dat de kiezer wel wil, maar de overheid niet.

Peter Rehwinkel is lid van de Tweede Kamer en maakt deel uit van de fractie van de PvdA.