De buik vol van Nederland

Als trouwe knecht stond hij enige jaren Jan Janssen bij, de eerste Nederlandse winnaar van de Tour de France. Het was aan het einde van de jaren zestig. Hij was een renner die in de door Pelforth-bier gesponsorde ploeg geen moeite had water aan te dragen voor zijn kopman. Tweemaal reed de voormalige Frans studentenkampioen de Tour, in 1968 werd hij 58ste, in 1970 83ste. Jarenlang was hij er trots op een toegewijde ploeggenoot van Janssen te zijn geweest. Als een nordiste, een Fransman uit het grauwe noorden, voelde hij zich altijd betrokken bij Nederlanders, een fris en vrolijk volk vergeleken bij Noord-Fransen.

Tegenover Nederlanders koketteerde hij met de Nederlandse woorden die hij had geleerd, zoals `godverdomme'. Hij was gek op Nederland. Toen Jean-Marie Leblanc journalist van La Voix du Nord werd en later opklom tot eerste wielerverslaggever van L'Equipe, maakte hij er geen geheim van regelmatig vakantie te vieren op de Waddeneilanden. Nederlanders genoten zijn voorkeur. Nederlandse journalisten kenden hij allemaal bij hun voornaam. Het waren zijn vrienden. Nederlandse wielrenners waren zijn helden. Nederlanders prikkelden ook zijn afgunst. Ze hadden iets wat hij als een man uit het Franse noorden niet had. Nederlanders waren uitgekookt, niet zo bang voor schade en schande. Ze waren vrijbuiters. Ze deden dingen die hij als verlegen Franse provinciaal niet gauw zou doen.

In zijn laatste jaren als journalist van L'Equipe volgde hij de Tour in de directieauto van de bejaarde sportethicus Jacques Goddet. Leblanc was overdag de omroeper van Radio Tour die de volgers liet weten wat Goddet had besloten. 's Avonds kroop hij achter zijn schrijfmachine en schreef hij interviews en commentaren over commerciële invloeden en de dreiging van dopingmiddelen als testosteron en EPO. Het waren uitvloeisels van de verhalen die Goddet hem over meer dan een halve eeuw wielersport had verteld.

Leblanc werd in 1989 directeur van de Tour. Hij zwoer dat hij de commerciële invloed en doping zou inperken. Leblanc ontpopte zich als een ethicus, die ouder en wijzer geworden toegaf dat hij als renner ook eens had geslikt. Hij wist wat voor verschrikkingen een Tourrenner moest doorstaan. Maar toen ene Gert-Jan Theunisse en later de PDM-ploeg van Jan Gisbers de regels omzeilden met hun gladde Hollandse praatjes, verloor Leblanc op slag zijn bewondering voor de Nederlanders.

Nederlanders hadden hem belazerd. Peter Post was gewiekst maar een persoonlijkheid, Jan Raas brutaal maar een kampioen en Joop Zoetemelk een wieltjesklever maar een Tourwinnaar. Toen kwam Cees Priem, in de jaren zeventig en tachtig als renner en knecht van Raas het prototype van een vrijbuiter. In zijn spoor volgden renners met dezelfde onbeschofte houding jegens gezag en Fransen. Nooit zal Leblanc vergeten wat Priem voor beledigingen aan Nederlandse journalisten vertelde over Fransen en wat diens renners deden om hem belachelijk te maken. Nooit meer laat hij zich onheus bejegenen door een volk dat hij eens bewonderde om zijn vrijmoedigheid.

Leblanc, 54 jaar, is veranderd. Hij was idolaat van Nederlanders. Nu wil hij ze niet meer zien, de nazaten van Janssen, Raas, Post, Gisbers en Priem. Nu ziet hij liever Fransen, vooral omdat anderen, zoals zijn grote baas, de president van La Société du Tour de France en IOC-lid Jean-Claude Killy, hem zeggen dat Franse renners en sponsors het belangrijkst zijn. Leblanc heeft geleerd dat hij zich niet meer door Nederlander mag laten ringeloren. Voor een Nederlander draagt hij nooit meer water aan.