Broederschap

Come to me, soothing sleep and with thee bring forgetfulness and dreams...

Slapen is een zaligheid. Het heeft maar één nadeel: dat het veel tijd kost. Slapen kan niet versneld worden, of in compacte vorm toegediend, op de manier zoals carrière-ouders hun kinderen tijd schijnen te geven, quality time. Slapen blijft – heel ouderwets – één op één, zichzelf.

Het is vreemd om dat te betreuren, want als je iets graag doet, ben je toch niet rouwig om de tijd die het kost? Toch stellen zelfs mensen die duidelijk aan hun nachtrust toe zijn het slapengaan vaak geheel nodeloos uit. Ja, ik ga heus, straks. Misschien is er een verband met het feit dat (zoals wetenschappelijk schijnt te zijn vastgesteld) onze biologische klok eigenlijk verlangt naar etmalen van vijfentwintig uren, met als gevolg een eeuwig gevoel van tekort. Maar misschien zit er ook angst achter. Gaan slapen is capituleren, bezwijken. Het bewijst dat er grenzen zijn.

Hoe hard verkopers van bedden en nachtkastjes – slaapkameradviseurs genaamd – zich ook inspannen om gezellig te doen over de slaap, hem begrijpelijk en vooral commercieel aantrekkelijk te maken, hij blijft onbeheersbaar, ontembaar. Slaap herinnert aan twee griezelige dingen, twee oerdriften als je de Weense kwakzalver mag geloven: seks en dood. Op beide maakt de mens de meeste kans in bed.

(Toch moet er wel eens een bed worden gekocht. Ik deed het een jaar of drie geleden en ik schaam mij nog steeds, want ik heb waarschijnlijk veel te veel geld uitgegeven en mij in ieder geval ingelaten met een welbespraakte verkoper, die mij tegen het eind van de onderhandelingen op een computergestuurd bed legde. Op een beeldscherm ernaast kon hij zien hoe mijn persoonlijke lattenbodem moest worden afgesteld. Maar het bed dat ik van hem moest kopen is overheerlijk, en ik heb nooit meer ergens pijn.)

Ontembaar is de slaap ook omdat hij zich nauwelijks laat dwingen. Ik zal nooit vergeten hoe iemand die mij na staat, en die een periode van vreselijke slapeloosheid doormaakte, zich eens midden in de nacht half oprichtte uit zijn kussen, en met bewogen stem riep: ik slaap! Daarna sliep hij weer verder, zielsblij.

Natuurlijk is slapen een uiterst intieme aangelegenheid. Te kunnen kiezen uit samen slapen of samen waken is een onuitsprekelijke rijkdom voor wie van elkaar houdt. Een onmogelijke keus trouwens, want je wilt in je enthousiasme allebei, liefst tegelijk. Je voelt in die paradox de tragiek van het huwelijk al aankomen.

De slaper is lief, kwetsbaar – als je van hem houdt tenminste, want anders is hij weerzinwekkend. De tweedeklas couchette in een trein, waar je gedwongen bent getuige te zijn van het slapen van wildvreemden, is de tragiek van het huwelijk in een lachspiegel.

Je leest eigenlijk nooit zo veel over slapen – wat zou er ook over te zeggen zijn? – en wat je leest is altijd positief. Iedereen is er vóór. Alleen Vladimir Nabokov, eigenzinnig, verklaart dat hij niet van slapen houdt, omdat het verlies van bewustzijn hem tegenstaat, dat `nachtelijke verraad aan de rede'. En hij kan het niet uitstaan in anderen, zelfs de medetreinreiziger komt ter sprake. Mensen die hun krant opzij leggen, hun sullige armen vouwen en onmiddellijk, stuitend familiair, beginnen te snurken, verbazen hem evenzeer als de ongeremde figuur die zich gemoedelijk ontlast in aanwezigheid van een kletsende badmeester, of deelneemt aan kolossale demonstraties, of lid wordt van een vereniging om er in op te gaan. Hear, hear.

De zwakzinnigste broederschap ter wereld noemt Nabokov de slaap, met de zwaarste lidmaatschapsheffing en de primitiefste rituelen. Hij heeft gelijk – maar thuis ben ik het niet met hem eens, thuis in dat heerlijke beddenverkopersbed; veilig in Morpheus' armen. Lieve Morpheus.