Amerikaanse muziek: van volks tot kil en steriel

,,De muziek reflecteert – althans dat hoop ik – de unieke kwaliteit van een mens, het Amerikaanse landschap en de levensstijl'', zei Aaron Copland ooit over Apalachian Spring. En inderdaad, er was weinig fantasie voor nodig om in de uitvoering ervan op zaterdag door het Concertgebouworkest echo's van het Amerikaanse leven te ontdekken. In de herhaling van solistische frasen door het orkest klonk de vraag-antwoord structuur door van de werkliederen die slaven zongen op de zuidelijke plantages. Vette vegen koper en dramatisch paukengeroffel verklankten het monumentale landschap. En in de lyrische melodie waren volksliedjes verwerkt zoals The gift to be simple dat geldt als het lijflied van de Shaker-gemeenschap.

Het zou aardig zijn geweest om Coplands compositie te contrasteren met John Adams' Shaker Loops dat refereert aan dezelfde religieuze gemeenschap, maar het Concertgebouworkest had gekozen voor een ander werk van Adams. In Slominsky's earbox putte het orkest zich uit in een wervelende opeenvolging van gewone en onconventionele toonladders. Hoewel het middengedeelte van de compositie bestaat uit een minimalistische partij voor violen, is het stuk als geheel veelzijdiger dan het meeste van Adams' werk.

Ronduit eentonig daarentegen was het String Quartet and Orchestra van Morton Feldman, waarvoor het Concertgebouworkest werd bijgestaan door het Kronos Kwartet. Het viertal speelde minuscule, transparante figuurtjes die versmolten met de enkelvoudige klanken geproduceerd door het orkest. Op de uitvoering van deze stille en reliëfloze compositie was niks aan te merken, maar enerverend was de 22 minuten durende opeenvolging van door rusten van elkaar gescheiden klanken allerminst. De van iedere context en vorm ontdane geluiden leverden niets meer op dan een akoestisch testbeeld.

Evenmin dynamisch was het concert van Philip Glass op zondag. De minimalistische composities die de componist voor de gelegenheid zelf ten gehore bracht op piano, varieerden nauwelijks in volume en tempo waardoor het resultaat nogal kil en steriel overkwam. Door overdadig gebruik van de pedalen verwerden de telkens herhaalde thema's tot een meditatieve klankenbrij zonder begin of eind. Het zeer gemêleerde publiek – hanenkam en driedelig pak zaten gebroederlijk naast elkaar – vond Glass' serialistische kunstje echter prachtig en onthaalde hem op een staande ovatie. Zelfs zijn rafelige spel, dat af en toe klonk alsof hij het ter plekke bedacht, werd hem vergeven.

Dat de hedendaagse Amerikaanse muziek verder strekt dan het minimalisme van Glass, liet het Asko Ensemble horen op vrijdag. In een programma getiteld Frank Zappa and the fathers of invention, werd een verband gelegd tussen verschillende generaties vernieuwende, Amerikaanse componisten. Verbindend kenmerk was hier de vermenging van klassiek idioom en instrumentatie met populaire muziek en jazz. Het sterkst hoorbaar was dat in Ives' Set of four ragtime dances dat expliciet geïnspireerd is door de voorloper van de jazz uit het einde van de vorige eeuw.

Het swingende stuk kwam in handen van het Asko Ensemble, dat een vlak en mat geluid voortbracht, niet helemaal tot zijn recht. Dit gebrek aan vuur kenmerkte ook de vertolking van Tango? en Piece no. 2 van Conlon Nancarrow. Pas in Edgar Varèse's Intégrales werd het geluid voller, hetgeen met name te danken was aan de vier man sterke slagwerksectie die de blazers aanzette tot een hogere intensiteit. Ook Frank Zappa's beeldende symfonische hoorspelen, waarbinnen de grens tussen serieuze en populaire muziek definitief vervaagd is, werden met zichtbaar plezier en inzet gespeeld. Maar pas in het afsluitende G-spot tornade, een snel ritmisch stuk dat nog eens herhaald werd als toegift, kwam even de gewenste felheid aan het oppervlak die in de rest van het concert ontbrak.

American Adventures. Asko Ensemble o.l.v. Stefan Asbury. Werken van Nancarrow, Zappa, Ives, Varèse. Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Leonard Slatkin m.m.v. Kronos Kwartet. Werken van Barber, Feldman, Adams, Copland. Philip Glass speelt eigen werk. Gehoord: 25, 26, 27/6.