Al voor de oorlog lagen de plannen klaar

De etnische zuivering onder Kosovaren was goed voorbereid: de plannen lagen al klaar lang voordat de NAVO-aanval begon.

Op een terras in een stille buitenwijk van Podgorica, hoofdstad van de Joegoslavische deelrepubliek Montenegro, zit Toni. Een lange, magere man van een jaar of dertig, in lichtgroen poloshirt, zwarte broek en blauwe suède schoenen. Hij heeft kort zwart haar en een baard van een paar weken. Hij noemt zich Toni – niet zijn echte naam – omdat hij bang is. Voor de onderzoekers van het Joegoslavië-tribunaal in Den Haag, maar ook voor zijn `collega's'. De afgelopen vier maanden was hij, zegt hij, paramilitair in Kosovo. Hij hoorde bij de Tijgers van Arkan, de Servische paramilitaire leider die door het Haagse tribunaal wordt verdacht van oorlogsmisdaden. Arkan, succesvol zakenman in Belgrado, was een van de wreedste bendeleiders in Bosnië.

Toni, tot begin jaren negentig student economie in Belgrado, was in het westen van Kosovo verantwoordelijk voor het transport van gestolen goederen van Albanezen naar Servië en Montenegro. Vier weken voordat op 24 maart de NAVO-aanval op Joegoslavië begon, werd hij door Arkan naar Kosovo gestuurd om de beroving van rijke Albanezen voor te bereiden. Hij legde contacten met Servische transportbedrijven in Kosovo, regelde vrachtwagens en huurde Servische chauffeurs. Zijn baas, vertelt hij, wilde in geen geval te laat zijn. Arkan wist dat er ook andere paramilitairen in Kosovo zouden gaan roven. Toni: ,,Maar niemand heeft zulke goede contacten in Belgrado als hij. Niemand had zoveel informatie als wij.''

Twintig dagen voor de NAVO-luchtaanvallen begonnen kreeg Toni uit Belgrado al lijsten met namen van de rijkste Albanese burgers in Kosovo. Daarop stond waar ze woonden, hoeveel kinderen ze hadden, wat hun bezittingen waren. Toni: ,,De lijsten waren opgesteld op lokale politiebureaus en gemeentehuizen in Kosovo. Wij wisten heel precies in welke wijken en dorpen we moesten zijn.''

Volgens Toni waren er ook lijsten met namen van vooraanstaande Albanezen die geliquideerd moesten worden. ,,Maar het doden verliep niet erg georganiseerd. Voor dat werk waren junks van de straat gehaald in Belgrado, gevangenen werden ingezet en vrijwilligers uit Bosnië. Het maakte hun niet uit wie de Albanezen afslachtten. Ik heb eens gezien hoe ze in een dorp het huis van een oude Servische vrouw binnenvielen. Haar kleindochter van een jaar of zeventien, achttien, werd verkracht.''

Iedere eenheid, vertelt Toni, had een eigen taak. Er waren er die vochten tegen het Kosovo Bevrijdingsleger UÇK, er waren er die de Albanezen uit hun huizen dreven en die – geholpen door zigeuners – leegroofden. Wie opviel door zijn ijver in de etnische zuivering kreeg een bonus. Het best betaald werden de paramilitairen die de lijken moesten opruimen en de bewijzen van bloedbaden vernietigen.

Toni zegt dat hij aan die vier maanden in Kosovo zo'n 200.000 mark heeft overgehouden. Hij ontving veel bonussen omdat hij de geroofde goederen `met zijn leven verdedigde'. ,,Dat viel niet mee, met zoveel bendes criminelen in de buurt.'' Volgens Toni kregen de Tijgers van Arkan alle medewerking van het Joegoslavische leger. ,,Als de NAVO een brug had gebombardeerd, werd er soms speciaal voor onze transporten een noodbrug aangelegd.''

Toni probeert nu, zegt hij, afstand te nemen van de Tijgers. Hij noemt hen ,,stukken stront'', hij wil er niet meer bij horen. ,,Als je dit werk lang doet, overleef je het niet.'' Maar de groep van Arkan laat hem niet met rust. ,,Ze zoeken me. Ik weet alles van ze, zij weten alles over mij.''

In de Montenegrijnse havenplaats Bar, in een achterkamertje van restaurant Mimoza, zit op zondagochtend een man die naar eigen zeggen `de Havik' wordt genoemd. Hij is klein en dik, en mist vele tanden. Hij hoort bij een paramilitaire groep van twintig man – die zich ook `de Tijgers' noemen – uit Nikšic, in Montenegro. De `echte' Tijgers, van Arkan, waren volgens de Havik machtiger dan alle andere paramilitaire eenheden in Kosovo. ,,Voor ons waren er de kruimels.'' De hele maand mei was zijn groep in Pec, in het westen van Kosovo. Ze sliepen in een school naast de sporthal, ze werkten `s nachts. ,,Onze commandant gaf ons namen, straten en huisnummers. De opdracht was: de jonge mannen doden, de rest uit hun huis jagen en alles wat van waarde is, meenemen. De zigeuners volgden de paramilitairen. De Havik glimlacht: ,,Die waren tevreden met alles wat wij voor hen achterlieten.''

Nu houden de mannen uit Nikšic vakantie aan de kust. Het geld dat ze overhielden aan vier weken roven en moorden in Kosovo geven ze volgens de Havik uit aan drank en hoeren. Veel was het niet, vindt hij: zo'n 30.000 mark. ,,In Bosnië hadden we meer.'' Het `probleem' was dat de groep uit Nikšic te laat kwam: in mei waren de meeste huizen al leeggeroofd. De Havik heeft geen idee waarom zijn groep zo laat aan de beurt was, en waarom ze maar een maand bleven. ,,Zo was het georganiseerd, zei onze commandant.''

DOSSIER: www.nrc.nl