1944: bevrijding, gevolgd door wraak

De intocht van KFOR in Kosovo en de teloorgang van het Servische gezag is een nieuw hoofdstuk in de lange geschiedenis van de regio en de relaties tussen Serviërs en Albanezen. De geschiedenis van Kosovo, Servië en Albanië in acht delen. Vandaag het vijfde deel, de periode 1941-1974.

Het Kosovaarse grensdorp Morinë leek vorig jaar op een bejaardenoord. De 64-jarige Mehmet Abaz Fetahu was een van de oude mannen die op het vee moesten passen. Zijn familie was op de vlucht, Mehmet kon gemist worden als de Serviërs terugkwamen. Die hadden zijn familiehuis al met handgranaten verwoest, de ramen ingeslagen, de televisie gemitrailleerd.

Mehmet liet zijn leven aan zich voorbijtrekken. ,,Ik herinner me 1941 heel goed', zei hij. ,,De Wehrmacht trok binnen. Wat zagen die Duitse soldaten er goed uit! Groot en onverslaanbaar, veel professioneler dan de Serviërs. De meisjes strooiden bloemen. Ik rende de hele dag achter ze aan.' Albanese oudjes zeggen het zonder schroom: in Kosovo was Hitler in 1941 de bevrijder van het Servische juk. Dat siert de man, zo menen ze, wat hij verder ook fout heeft gedaan.

In de lente van 1941 werden de legers van de As-mogendheden, die Joegoslavië onder de voet liepen, in Kosovo met bloemen binnengehaald. Er volgde een opdeling: Bulgarije kreeg het oosten, Italië het zuiden en Duitsland het noorden - de Trepca-mijnen bleken van groot belang voor de Duitse oorlogsinspanning. De opdeling was tijdelijk, zo werd de Albanezen gezegd. Het Albanese revanchisme diende namelijk te worden uitgebuit. De nazi's richtten een Albanese gendarmerie en een nationale garde op - de Vulnetara. Albanees werd de officiële taal en de Serviërs, die de Albanezen eerder van hun land hadden verjaagd, kregen het zwaar.

Terwijl Joegoslavië in de greep raakte van een genocidaal etnisch conflict, bleef het in het etnisch betrekkelijk homogene Kosovo rustig. Natuurlijk ging de oorlog niet aan Kosovo voorbij. Veel Serviërs sloten zich aan bij het monarchistische of communistische verzet. Maar in augustus 1942 kende Kosovo slechts 463 actieve communisten, van wie 12 procent Albanezen. Tito, zo meldde een Brits rapport in 1943, was voor de Albanezen slechts ,,een nieuwe manifestatie van de Servisch-Montenegrijnse dreiging'.

Niet dat de Albanezen zich en masse tot nazi-trawanten bekeerden. Toen in september 1943 de SS rekruten ging werven voor een Albanese `Skanderbeg-divisie', bleek de animo gering. De divisie werd ingezet om een schrikbewind onder de Serviërs te voeren.

In 1943 proclameerden Albanese communisten in het dorp Buja dat Kosovo zich na de oorlog bij Albanië zou aansluiten. Tito weersprak dat – zoiets viel slecht in Servië – maar in de toenmalige context was de proclamatie begrijpelijk. De Albanese communistenleider Enver Hoxha, toen een marionet van Tito, meende dat Albanië en Kosovo na de oorlog als republiek zouden toetreden tot Joegoslavië. Dat zou een eind maken aan de oude Servisch-Albanese tweestrijd; Stalin zag van zijn kant graag een machtig communistisch Balkanrijk. ,,Als Joegoslavië Albanië opslokt, gaan we akkoord', zei hij tegen Tito's rechterhand Milovan Djilas.

Toch was de bevrijding van Kosovo door de partizanen in de herfst van 1944 niet minder bitter dan eerdere Servische bevrijdingen: er volgden zes maanden van extreem wrede moordpartijen. Het eindtotaal: 48.000 doden. Een dieptepunt vormde de massamoord door verstikking op 1.670 Albanezen die door partizanen in een tunnel werden ingemetseld. In het Drenica-gebied voerde de nationalistische Balli e Kombëtar nog jarenlang een guerrilla.

Toen de rust weerkeerde, stond Tito in het kader van de etnische verzoening slechts toe dat een deel van de 60.000 verjaagde Serviërs naar Kosovo terugkeerde; Albanezen uit Noord-Albanië mochten zich tot 1948 daarentegen vrij in Kosovo vestigen. Dat was uniek: andere collaborerende volkeren – Duitsers, Italianen, Hongaren – werden massaal gedeporteerd. Maar het perspectief was nog altijd toetreding van Albanië tot Joegoslavië. In 1948 botsten evenwel de ambities van Stalin en Tito en koos Hoxha voor Moskou. De grens tussen Noord-Albanië en Kosovo ging dicht.

Na de breuk tussen Belgrado en Tirana konden de Joegoslaven zich in Kosovo weer wijden aan het vertrouwde handwerk: onderdrukking van seperatisme. Kosovo werd een achtergebleven politiestaat, gedomineerd door Servische ambtenaren. Vertoon van de Albanese vlag was een misdrijf; de Albanese taal werd onderdrukt. Vormgever van die politiek was Tito's vice-president Aleksander Rankovic en zijn gevreesde geheime dienst UDB-a. De UDB-a moedigde emigratie van Albanezen aan: tussen 1954 en 1957 vertrokken er 195.000 naar Turkije. Servische kolonisten mochten zich weer in Kosovo vestigen. Albanese separatisten kregen zware celstraffen. In 1960 begon Adem Demaçi - vorig jaar UÇK-woordvoerder - zijn 28-jarige verblijf in Joegoslavische gevangenissen.

Toch heette het officieel dat nationalisme het gevolg was van economische onderontwikkeling. Vanaf midden jaren vijftig werden daarom al fondsen vanuit het rijke noorden naar het onontwikkelde Kosovo gesluisd, een beleid dat op den duur veel weerzin wekte in Slovenië en Kroatië.

Het schrikbewind van Rankovic duurde tot 1966, toen Tito zich ontdeed van zijn rivaal. In Kosovo werden daarna steeds meer Albanezen toegelaten in het machtsapparaat. De universiteit van Priština voerde leerboeken uit Albanië in en studenten tooiden zich met buttons van de middeleeuwse Albanese held Skanderbeg. In 1968 kwam het tot onlusten. De Albanezen eisten de status van republiek binnen de federatie en de Serviërs begonnen te klagen over discriminatie. De demografische balans sloeg steeds verder om in Albanees voordeel. Vormden de Albanezen in 1961 nog 67,2 procent van de bevolking van Kosovo, tien jaar later was dat al 73,7 procent.