Vrouwenmoord in Ciudad Juárez

Ciudad Juárez is een vervloekte stad tegen de zuidgrens van de VS. De vrouwen werken er in naargeestige fabrieken, de mannen dromen van de oversteek naar Amerika. En in drie jaar tijd werden er meer dan 200 vrouwen vermoord. Onder wie, vorig jaar, een Nederlandse toeriste. Kan het de Mexicaanse politie eigenlijk wel schelen wie het gedaan heeft?

De nieuwe onderzoeksrechter voor geweld tegen vrouwen haalt een lolly uit een papiertje en steekt hem tussen haar roodgeverfde lippen. Sabbelend gaat ze achterover zitten. ,,Lees dan'', zegt Suly Ponce (35), terwijl haar lange nagels op het bureaublad trommelen.

`Ik hoorde hoe het meisje om hulp schreeuwde terwijl ze verkracht werd. Uit haar ogen vielen tranen, daarna draaiden ze weg in hun kassen, alsof ze flauwviel', lees ik in de getypte getuigenverklaring. `Mijn collega regelde de verkrachting: de volgende, de volgende wees hij aan. Nadat we allemaal geweest waren, pakte de collega die we de Tolteca noemen een grote steen. Hij sloeg die op het hoofd van het meisje. Ik hoorde het droge breken van bot, als een krak. Daarna hebben we haar dode lichaam gedumpt op de oude vuilstortplaats van de stad.'

Achteloos sabbelt Suly Ponce verder. ,,Hier is dus het bewijs'', zegt de onderzoeksrechter en ze geeft een klap op de getuigenverklaringen. Het bewijs dat er in Ciudad Juárez één georganiseerde bende is die vrouwen verkracht en vermoordt, zegt ze. Simpeler nog: ,,Ze handelen allemaal in opdracht van één enkele psychopaat. Maar die heb ik nu onder controle.''

Suly Ponce is alweer de vijfde speciale onderzoeksrechter in Ciudad Juárez in één jaar tijd. De functie werd in het leven geroepen onder druk van een actieve burgerorganisatie. Het comité van de moeders van slachtoffers eiste `het recht te weten wat er met onze dochters is gebeurd'. Na een eindeloze reeks demonstraties en bezettingen stelden de autoriteiten vorig jaar mei de speciale afdeling `misdaden tegen vrouwen' in.

Al sinds zes jaar wordt de Mexicaanse grensstad geteisterd door een mysterieuze reeks vrouwenmoorden. Het scenario is steeds hetzelfde. Vrouwen, vooral jonge meisjes verdwijnen op een dag in het niets. Weken of maanden later worden ze teruggevonden op een verlaten plek, ergens in de zandwoestijn die de stad omringt. Verkracht, gemarteld en vermoord. ,,Bijna allemaal blijken het jonge meisjes die als arbeidster werken in de goedkope assemblagefabrieken, hier aan de Mexicaanse kant van de grens'', vertelde de voorzitster van het burgercomité vorig jaar.

De moeders van het comité hielden die dag weer eens een piket voor het betonnen gerechtsgebouw van Ciudad Juárez. ,,We eisen dat politie en justitie de moorden serieus neemt'', zei voorzitster Astrid González midden in de zandstorm die onze gezichten en handen striemde. Boos was ze. En moe. Moe van de houding van de autoriteiten die niet verder kwamen dan de slachtoffers voor hoer uitmaken. Boos over het advies aan vrouwen om voortaan maar binnen te blijven. ,,Hier in Ciudad Juárez zijn het de vrouwen die werken'', zei Astrid González. ,,Doodarme vrouwen en meisjes die uit het zuiden van Mexico hier naartoe getrokken zijn. Ze werken voor een hongerloon in de belastingvrije assemblagefabrieken die de buitenlandse multinationals in de grensstrook mogen neerzetten. Ze draaien nachtdiensten, zonder arbeidsbescherming, zonder vakbondsrechten. Maar ze wérken. Ze onderhouden zichzelf en hun kinderen. En dat terwijl hun mannen niet anders doen dan afzakken in de droom ooit een keer over te steken naar de Verenigde Staten.''

Nieuwe dromers

`Dromen en nachtmerries zijn van hetzelfde materiaal gemaakt. Maar hier blijkt de nachtmerrie de enige droom', schrijft de Zuid-Amerikaanse socioloog Eduardo Galeano over het grensgebied van de Verenigde Staten en Mexico. Dit is een wereld apart. Drieduizend kilometer lang grenst de Derde Wereld aan de rijkste en machtigste natie der aarde. Aan de overkant van de Rio Grande glimmen de gebouwen van het beloofde land. Twee zwaarbewaakte bruggen vormen de enige toegang. Zelfs voor mensen die in Ciudad Juárez geboren zijn, is het bijna onmogelijk om in de Amerikaanse zusterstad El Paso nog boodschappen te doen.

De `muur', een kilometerslang hekwerk, werkt als een magneet. Duizenden berooiden van de Derde Wereld laten elke dag alles thuis achter en trekken naar het grensgebied. Ze komen met de droom ooit te kunnen oversteken. En alleen al in Ciudad Juárez komen er elke dag tweehonderd nieuwe dromers bij.

Het gevolg is een losgeslagen, wanhopige samenleving die daar tegen het hek ligt aangewaaid. De dromers wachten in bordkartonnen hutjes met golfplaten daken. Veertig graden in de zomer, vijftien onder nul in de winter. En die vervloekte zandstormen. Er is geen water en geen riolering. De elektriciteit een spinnenweb van draden, afgetapt van de hoogspanningsmasten. Dat is Ciudad Juárez. Eén grote sloppenwijk in de woestijn.

Daartussen staan de maquiladores. De Amerikaanse, Japanse of Nederlandse fabrieken die van de Mexicaanse regering in de grensstreek belasting- en importvrij mogen produceren. In de bedompte assemblagehallen is negentig procent van de arbeiders vrouw. ,,Omdat ze minder klagen, het langer volhouden en harder werken dan de mannen'', verklaart de Amerikaanse manager van zo'n fabriek in Juárez. De lonen die de vrouwen verdienen zijn eentiende van wat hun collega's aan de andere kant van de grens verdienen.

Daar zitten ze, de fabrieksmeisjes, 's ochtends in bus 12. Sommigen nog met hun zedige rokken en hooggesloten bloesjes die ze thuis in het zuiden droegen. Anderen al helemaal in de strakke spijkerstof van de grote buurman. Maar allemaal zijn ze moe, een beetje groenig van de nachtdienst.

De rit voert langs verwaaide nachtclubs waar Amerikaanse jongeren onder de 21 komen drinken. Met zwermen tegelijk komen ze `s nachts in Juárez doen wat ze thuis niet mogen. `Heaven', `Pink Panther' of `Chez Venus' heten de lustoorden. En daar, achter de spoorlijn, is opeens de enige villawijk van de stad. Zuurstokkleurige bouwsels, in vreemde vormen. Nep-Arabisch of oud-Grieks. Beveiligd door televisiecamera's en een leger gewapende bewakers. Zo wonen de drugsbazen van de stad. ,,Zeventig procent van alle cocaïne komt via Ciudad Juárez de Verenigde Staten in'', had DEA-agent Tom Kennedy in El Paso gezegd. Geen wonder dat het Juárez-kartel al jarenlang het juweel op de kroon is van de Latijns-Amerikaanse drugshandel. Rijker, machtiger en inmiddels ook bloeddorstiger dan de Colombianen.

Ach... mannen!

,,Als het zo doorgaat blijven hier weinig mannen meer over'', zegt Irma Pérez (43) schouderophalend. Voor haar krot bij de spoorbaan heeft ze een hamburgertentje neergezet. Ze staat met haar pannenkoekmes boven het walmende vlees en heeft het over de jeugdbendes in de buurt. Vijfhonderdzeventig bendes van jongemannen terroriseren de stad. De meesten verslaafd aan cocaïne. Volgens Irma Pérez zijn de mannen hier `zwaar gefrustreerd': ,,Ze schieten elkaar overhoop om niks. Ze willen allemaal de grens over of de drugshandel in, maar werken, ho maar.'' Met een driftig gebaar wrikt ze de hamburgers van de bakplaat los. Ach... mannen!

Haar eigen man heeft ze er een eeuwigheid geleden al uitgezet. Met goede moed waren ze uit het zuiden hier naartoe gekomen. Hij zou zijn lot in de Verenigde Staten beproeven. ,,Maar uiteindelijk proefde hij alleen de fles'', vertelt Irma. Om haar twee dochtertjes te onderhouden ging ze in de fabriek werken. ,,En toen begon hij te protesteren dat een vrouw thuis hoort te blijven. Dat ik op straat met andere mannen flirtte.''

Irma maakte haar echtgenoot duidelijk dat het hier een ander Mexico is. Dat in Ciudad Juárez, onder de rook van de Verenigde Staten, niet dezelfde regels gelden als thuis in het zuiden, waar de man de baas, de beschermer en de verdiener van het gezin is. ,,Ga zelf werken, of hou je kop'', zei ze tegen haar echtgenoot.

Acht jaar later sterft haar dochter Olga Carillo Pérez (19) in de woestijn van Juárez. Door mannen verkracht, gemarteld en vermoord. Irma ziet haar dochter nog voor zich. Hoe ze die ochtend naar haar werk in de schoenenfabriek ging. Rode bloes, zwarte broek en tennisschoenen aan haar voeten. ,,Ze was mooi'', zegt haar moeder trots.

De daders van de moord op Olga Peréz zijn nooit gepakt. Zomin als die van de andere meisjes wier lichamen tussen mei 1995 en mei 1998 zijn gevonden. Volgens de officiële cijfers meer dan tweehonderd. ,,Deze woestijn kent eindeloos veel hoeken en gaten. En door de politie is er nooit enige gecoördineerde zoekactie gedaan'', had voorzitster Astrid González een jaar geleden gezegd. Daarom, dacht ze, moest het werkelijke dodental veel hoger liggen dan het officiële.

Na de verdwijning van haar dochter kreeg Irma Peréz lijken te zien. Meisjes die met messen waren toegetakeld. Een steen in hun mond, voorwerpen in hun vagina. Ze waren gewurgd of hun was de hersens ingeslagen. Sommigen in brand gestoken. Met benzine overgoten, of geroosterd op bruinkool. Tot ze haar eigen dochter herkende. ,,Ik zag haar kleren. Haar rode bloes, die zwarte broek. Ze waren van haar.'' Maar toen zeiden die mannen van het laboratorium dat het Olga niet was. Dat het om een lijk ging van drie jaar geleden. ,,Vertel me, wat is dat voor spel?''

Drie jaar lang werd Irma Peréz van het kastje naar de muur gestuurd. Pas een paar maanden geleden kwam de definitieve identificatie van haar dochter die in 1995 gestorven was. Irma werd niet op de hoogte gehouden, kreeg geen informatie, geen vriendelijk woord. Tot ze in de krant las dat de autoriteiten de zaak hadden gesloten. Er was een `maniak' gepakt. Eén enkele seriemoordenaar die alle doden op zijn geweten zou hebben. De autoriteiten hadden al eerder `maniakken' gearresteerd en verantwoordelijk gesteld voor alle moorden, maar die waren steeds weer onschuldig gebleken. Zo werd in het jaar van de moord op Olga de Egyptische chemicus Abdul Sharif gearresteerd. In een hotel in Ciudad Juárez had hij een vrouw verkracht en vermoord. Volgens de autoriteiten was hij de `psychopaat', die ene gestoorde van buiten die de vrouwen van de stad in gevaar bracht.

Na Sharifs arrestatie ging het moorden gewoon door. ,,Weet u wat het ergste is, echt het allerergste'', vraagt Irma Peréz, terwijl ze verwoed haar hamburgers wentelt. ,,Niet dat ze mijn dochter beschuldigen van een dubbelleven. Ook niet dat wij moeders de schuld krijgen, omdat we werken en niet op onze kinderen zouden passen. Het ergste, het verschrikkelijkste is te weten dat het niemand ook maar ene moer interesseert wat er met je dochter gebeurd is.''

Een zandweg

Buiten het gerechtsgebouw waait nog steeds de zandstorm; in het kantoor van rechter Ponce de geur van snoep. ,,Mijn voorgangers gaven het op, omdat het een zware baan is'', zegt ze over het hoge verloop onder de onderzoeksrechters. ,,Ik ben taaier.'' Hoeveel moorden er sinds haar aantreden in december gepleegd zijn weet ze niet meer. Twintig, dertig misschien? ,,Maar ik geloof werkelijk dat ik die maniak te pakken heb.'' Suly Ponce is vol van de vangst die ze een paar weken geleden deed: de verkrachter van een veertienjarig fabrieksmeisje.

De man was de chauffeur van de speciale bedrijfsbus die de arbeidsters van de assemblagefabriek Motores Electricos naar en van hun werk brengt. Om één uur `s nachts kwam de veertienjarige Nancy met haar ploeg de fabriek uit. `Zoals altijd was ik de laatste die thuis werd afgezet, omdat ik het verst weg woon', zegt Nancy in haar getuigenverklaring. Maar in plaats van het meisje in haar krottenwijk af te zetten, rijdt de chauffeur door. `We kwamen langs de olieraffenaderijen, ik zag de vlam en de opslagtanks in het donker. Ik zei dat ik naar huis wilde. Maar hij bleef doorrijden, vroeg of ik getrouwd was. Hij sloeg een zandweg in en stopte op een verlaten plek.'

Daar verkracht de chauffeur het meisje en wurgt haar. Maar anders dan de chauffeur verwachtte was Nancy niet dood. `Toen ik wakker werd lag ik op de grond in de woestijn. Ik kon mijn rechteroog niet opendoen. Er was veel bloed op mijn handen en mijn buik. Mijn hals deed pijn, ik had moeite met ademhalen, ik kon mijn andere gymschoen niet vinden.' Het meisje weet zich naar het houten huisje van een voddenman in de woestijn te slepen. Hij waarschuwt de bewakers van de olieraffinaderij, en zo krijgen de autoriteiten via Nancy voor het eerst de beschrijving van de man die `de Tolteca' wordt genoemd. Een chauffeur van bedrijfs- en schoolbussen, die aan de drank en de cocaïne verslaafd is.

Een week na Nancy's aangifte werd `de Tolteca' gearresteerd. Niet omdat de politie hem gevonden had. Maar omdat zijn schoonmoeder hem had aangeven. Hij had zijn echtgenote weer eens geslagen. Dit keer zo hard dat de vrouw op de reanimatie moest worden opgenomen en een haar vijfde kind dood ter wereld kwam. ,,De Tolteca is degene die ons naar de rest van de bende heeft geleid'', verklaart onderzoeksrechter Ponce. Een bende van vijf buschauffeurs die de meisjes van Ciudad Juárez verkrachtten en vermoordden. Niet uit lust. Maar omdat ze twaalfhonderd dollar zouden krijgen voor elk met zaad besmeurd meisjesonderbroekje dat ze inleverden. Bij wie? ,,Bij de Egyptenaar Abdul Sharif'', zegt Suly Ponce plechtig. ,,Vanuit de gevangenis betaalde hij de chauffeurs voor de moorden, en eiste onderbroeken als bewijs. Dat deed hij om ons op een dwaalspoor te brengen'', zegt Suly Ponce. Waarom? ,,Omdat hij de oorspronkelijke seriemoordenaar is.''

Een man, die vier jaar na zijn arrestatie anderen betaalt om meisjes te vermoorden? Ja, Suly Ponce is zeker van haar zaak. ,,We hebben de getuigenverklaringen van de buschauffeurs die Sharif beschuldigen'', zegt ze. ,,Bovendien heeft Sharif me vanuit de gevangenis bedreigd.'' De onderzoeksrechter gaat er net breed voor zitten, als op de deur wordt geklopt. Een functionaris in cowboyuniform komt het kantoor binnen. Hij fluistert iets in het oor van Ponce. De onderzoeksrechter staat op en schudt haar haren. ,,Er is weer een lijk gevonden'', zegt ze. ,,Kom we gaan.''

Lelijke vlekken

Zwaaiend met haar lolly loopt ze naar de auto die buiten wacht. Dikke agenten met spiegelbrillen, kauwgomverkoopsters, het laatste model terreinwagen. In de auto begint Suly Ponce druk te telefoneren. Ze geniet van haar werk, vertelt ze, terwijl we door het stof stuiven. Eindelijk komen we bij een huisje in de oostelijke sloppenwijk van de stad. Door de deur wordt een brancard naar buiten gedragen. Een plastic zeil over het lichaam erop. Suly Ponce wiebelt op haar hoge hakken over de onverharde zandbodem. In de deuropening van de hut staan twee kinderen met grote ogen. ,,Het is niets'', zegt Ponce als ze even later de wagen weer inklimt. ,,Overdosis medicijnen, jenobarbital.'' De onderzoeksrechter begint weer in haar portofoon te praten. ,,Ponce hier... Nee, zelfmoord. Sluiten, over en uit.'' Het slachtoffer was een epileptisch meisje dat in haar eentje voor haar twee kleine broertjes zorgde. Vanochtend had ze te veel medicijnen genomen. Geen verkrachting, geen moord. ,,Het bewijst mijn stelling dat we de daders hebben'', zegt Ponce.

Een paar uur later zit ik voor de leggers van El Norte, de plaatselijke krant van Ciudad Juárez. Dertig april staat er boven de foto. Daaronder de vijf daders van Suly Ponce. De buschauffeurs staan erop, met hun hemd omhoog. Ze hebben bont en blauw geslagen gezichten en lelijke vlekken op hun buik. `Bende van chauffeurs klaagt over marteling', luidt de kop. Uit het artikel blijkt dat de mannen een klacht hebben ingediend bij de commissie voor de rechten van de mens. Ze zouden zijn gemarteld met spuitwater in hun neus, klappen op hun lever en elektrische schokken op hun genitaliën. In plaats van direct te zijn afgeleverd op het politiebureau hebben ze eerst een paar dagen op een geheime plaats in de politieacademie van de stad doorgebracht.

Hun `bekentenissen', waarin ze zichzelf en elkaar van ten minste twintig moorden beschuldigen, zouden onder marteling zijn afgedwongen. Net als de beschuldiging dat ze in opdracht van de Egyptenaar Abdul Sharif hebben gehandeld. `Ik kreeg een getypt papier onder mijn neus en werd met klappen gedwongen te tekenen', zegt `de Tolteca', die wel de verantwoordelijkheid voor de verkrachting van de veertienjarige Nancy op zich wil nemen. `Ze heeft me zelf uitgenodigd', zegt hij ter verdediging. `Het was de eerste keer dat ik zoiets deed. Maar die meid doet het met alle buschauffeurs. Dat vind ze lekker. Zelfs nu nog doet ze het met de chauffeur van lijn zeven.'

Wie heeft er gelijk? Zouden de verdachten echt zijn gemarteld? ,,Ga daar maar vanuit'', zegt hoofdredacteur Alfredo Quijano(42) in zijn kleine kantoor op de krant. Hij twijfelt er niet aan dat de chauffeurs schuldig zijn aan een aantal moorden en verkrachtingen. ,,Maar om alles nu hierop terug te voeren is wel erg gemakkelijk'', zegt hij met een flauwe glimlach.

Quijano vertelt hoe niet de politie, noch onderzoeksrechter Suly Ponce de getuigenverklaring van Nancy als eerste opschreven. ,,Dat was een verslaggever van ons.'' Via de scanner had hij gehoord dat er een meisje naar het ziekenhuis werd gebracht. ,,Pas de dag nadat het verhaal van Nancy in de krant stond kwam Ponce in actie'', vertelt Quijano. Tja en met gedegen juridisch onderzoek had dat ook weer niets te maken. ,,Er was niet eens een arrestatiebevel voor de chauffeurs.''

Volgens Quijano gaat het uiteindelijk gewoon om politiek. Zo is er in Ciudad Juárez een compleet toegerust laboratorium om DNA-onderzoek te doen. ,,Maar dat staat te verstoffen. Want niemand heeft er belang bij een DNA-test te doen die onmiddellijk vertelt welke meisjes precies de slachtoffers van de moordenaars zijn.'' En het moedercomité van Astrid González, vraag ik? Doen zij dan niets? Quijano glimlacht opnieuw en schuift een telefoonnummer over tafel ,,Bel haar maar'', zegt hij.

Die avond ontmoet ik Astrid González in een duur restaurant, begeleid door haar nieuwe secretaris met stropdas. González is geen activiste meer, ze is politicus geworden. Het actiecomité is na haar terugtreden verschrompeld. Van de nieuwe gouverneur heeft González een mooie baan gekregen als directrice van de afdeling sociale zaken in Ciudad Juárez. Over moorden of vrouwen spreekt ze niet meer. ,,Mijn vriendin Suly Ponce heeft die zaak opgelost.'' Onder de zoetigheid kan ze alleen nog maar spreken over `haar' gouverneur. ,,Hij bevredigt de honger naar orde van de mensen. Het is een droom om voor deze magische man te werken.''