Op de vroege maandag

De morgenster zat op het bankje van mijn overstaptramhalte uit te blazen. Achter hem, op zijn driewielige bakfiets, geparkeerd aan de stoeprand, stond een Jugendstil meubeltje van tropisch hardhout, een sierlijk laag tafeltje met drie opstaande randen om het blad en links en rechts een laatje waarvan de knoppen waren afgebroken. Verder mankeerde er niets aan. Deze morgenster – inspecteur van versmade zaken – is een keurige man van even in de veertig. Hij spreekt een zuiver ABN waarvan men vroeger veronderstelde dat het in Haarlem op z'n best werd gesproken. We kennen elkaar al jaren, weten niet van elkaar hoe we heten, maar zijn voldoende op vertrouwde voet geraakt om elkaar te tutoyeren.

,,Begrijp je dat'', zei hij. ,,Duizend gulden!''

,,Duizend gulden?''

,,Ik herstel de laatjes, zet het in de was zodat het weer glanst en geurt en dan kost het duizend gulden.''

In de Grote Van Dale staat bij morgenster onder betekenis 4: `Voddenraper die met het krieken van de dag op straat staande vuilnisbakken doorzoekt.' Een omschrijving die al lang geleden achterhaald is. Deze man wiens naam ik niet ken, is een deskundige op het gebied van wasmachines, ijskasten, antiek, elektronica, geluidsapparatuur en kinderspeelgoed. Op maandagen `maakt' hij (zoals hij me eens heeft verteld) gemiddeld vijfhonderd gulden. Dat komt doordat de mensen op zondag op hun besluitvaardigst zijn tegenover de dingen die ze niet meer nodig hebben. Wat `het niet meer doet', grijnst de eigenaar dan de hele dag aan. In werkelijkheid is dit niet het weigerachtige of invalide ding; het is zijn eigen onmacht. Hij weet niet hoe hij het moet repareren, hij is bang voor het inwendige, hij heeft `geen verstand van elektriciteit', en ook geen zin om in het telefoonboek een vakman te zoeken. Hij verlost zichzelf van zijn tekorten door het buiten de deur te zetten. Als hij de volgende ochtend naar zijn werk gaat, is hij als door een wonder van zijn probleem verlost. Dit wonder is de `voddenraper'.

We hebben het zien aankomen. Er is een bestseller van een jaar of veertig geleden, Vance Packards The Wastemakers. John Kenneth Galbraith heeft er definitieve zinnen over geschreven in zijn The Affluent Society. Toen hier de welvaart nog niet was uitgebroken, zag ik eens – het was hartje zomer – in Amerika op een paar kilometer van de weg een witte vlakte in het land. Het was alsof het daar had gesneeuwd. Het was een ijskastenkerkhof. In het begin van de jaren zestig was in Californië een hippiekolonie, Drop City, waar de huizen waren gemaakt van aan elkaar gelaste autodaken en ander weggegooid plaatwerk, alles volgens de geodetische principes van Buckminster Füller.

Achteraf bezien was dat een overgangstijd. Degenen die de dingen `hergebruiken' horen tot de idealistisch-materalistische generatie. Ze hebben nog geleerd, misschien niet bewust maar in ieder geval van huis uit meegekregen, dat je de dingen moet bewaren omdat ze `nog weleens van pas kunnen komen'. Daaraan gepaard gaat dan een zekere handvaardigheid. Als je een vliegreis maakte, nam je de zakjes met peper en zout mee. De eerste plastic verpakkingen, (voor ijs, chocolademousse, pudding), gingen mee in de afwas en hoopten zich op, bij het plastic bestek, ook te mooi om weg te gooien.

Als je nu voor ongevaarlijke zonderling wilt worden verklaard, eet je aan de lunchtoonbank het klassiek vormgegeven plastic kommetje van je ijstractatie zorgvuldig leeg, veegt het schoon met je servetje en steekt het in je zak. Als je je van je duurzame gebruiksvoorwerpen wilt ontdoen, moet je ze inruilen, milieubelasting betalen, of zelf slopen en 'savonds laat de onderdelen her en der verspreiden, in de gracht gooien, enz. Of je hoopt op de vroege `voddenraper'.

Zo komen we tot een merkwaardige conclusie. Er zijn denkers die van mening zijn dat `de mens van deze tijd materialistisch is'. Dat mag zo zijn, maar hoe? Bij de materialistische mens denk ik aan een plaatje uit een oud vertelselboek: een oude man die zich met goudstukken uit zijn geldkist zit te besprenkelen. Erboven staat: DE VREK, en het onderschrift luidt: `...M'n geldje, m'n lieve geldje...'. Hij had dit geld niet om uit te geven maar om te bewaren; hij was de materialist in zijn puurste verschijning. Dan krijg je de mensen die voor hun geld de dingen kopen die ze blijven koesteren, hoe meer hoe beter, om dit alles duurzaam te hebben. Bij deze materialisten is het hebben, en ook het zoveel mogelijk hebben, nog niet van het bewaren gescheiden.

Maar nu breekt een ander materialisme baan. Het zoveel mogelijk hebben gaat niet meer gepaard met een gehechtheid aan het verworvene. Het is een verbruiks-hebben. Dat kan niet anders want wie alles koopt (en in dit hele stukje is zij niet uitgezonderd) wordt door de dingen het huis uitgejaagd. Voor de verbruiks-hebber is er dan maar één oplossing: hij jaagt de dingen het huis uit voor hij van zijn heb-wil zelf het slachtoffer wordt.

Wat denkt u van die theorie? Op het eiland Texel is een strandvondersmuseum. Ik ben er nooit geweest, maar de mensen die het hebben bezocht komen niet uitgepraat over wat de schepelingen in de loop der tijden hebben verloren of expres over boord gezet. Zo'n museum zou je eens moeten inrichten – tijdelijk natuurlijk – van de dingen die mijn vriend, de inspecteur van versmade zaken, op maandagochtenden tegenkomt.