Met de UNESCO lekker wandelen in Kosovo

Zodra Miloševic bekend maakte zijn troepen terug te trekken uit Kosovo, bood een Hongaars reisbureau een busvakantie aan naar het oorlogsgebied. Het berichtje stond op de voorpagina, en ik vermoed dat heel wat lezers het met walging lazen. Want was dit niet de perfecte illustratie van de immoraliteit van de markt? Als aan menselijk lijden verdiend kan worden, gebeurt dit ook. In dit geval werd zelfs niet eens de beleefdheid opgebracht om even op de geschiedenis te wachten. Nog voordat de officiële begraafplaatsen, de gedenktekens en de musea er waren, reden de dubbeldekkers al over het slagveld en werd er druk gefotografeerd vanachter de zonwerende ruiten. Een nasmeulend huis, een concentratiekamp, een lijk wellicht, of een versgedolven graf, voor de ramptoerist prachtige onderwerpen die de pittig geprijsde safari meer dan de moeite waard maakten.

Zo'n busreis is inderdaad een smakeloze vertoning, en het is te hopen dat het Hongaarse initiatief bij de Servische grens gestrand is. Dat neemt niet weg dat op dit moment wel talloze andere touringcars Kosovo doorkruisen. Van het ene verwoeste dorp naar het andere gaat het en overal wordt gestopt voor het nemen van foto's en een praatje met de overgebleven bewoners. De reizigers verdringen elkaar om met een microfoonhengel vooraan te staan, als de tolk de vreselijke details bekend maakt die de tandeloze dorpsoudste hem zojuist toefluisterde. In de bus op weg naar het volgende dorp komen de laptops tevoorschijn en werkt men verder aan het reisverslag dat die avond nog naar de redactie moet worden doorgefaxt.

Duizenden journalisten, uit alle delen van de wereld, brengen zo de zomer in Kosovo door. De stemming is opperbest. De Volkskrant berichtte deze week zelfs over `een vakantiegevoel' onder de persvertegenwoordigers. Zoveel nieuws en zoveel verhalen hebben het voormalig oorlogsgebied, zeker nu de sluipschutters ontwapend zijn en de digitale snelweg weer open is, veranderd in een journalistiek luilekkerland waar men met zijn allen nog lang niet uitgekeken is.

Het gevolg van al die verslaggeverij is dat de krantenlezer, thuis in zijn stoel, alsnog plaatsneemt in de Hongaarse bus, die hij zo verfoeide. Ramptoerist tegen wil en dank. En op de televisie gaat de reis verder, en biedt het raampje een nog afschuwwekkender uitzicht.

Daar is allemaal niets aan te doen. Wij thuisreizigers hebben wat route en bestemming betreft weinig in te brengen. De nieuwskaravaan sleept ons meedogenloos van brandhaard naar brandhaard. Hoogstens kunnen we de krant terzijde leggen of op de tv doorzappen. Of, en dat is in het geval van de Balkan ook een optie, tijdens de gedwongen reis zoveel mogelijk te letten op de wat vriendelijker aspecten van de omgeving. Bijvoorbeeld het landschap, dat op de achtergrond van een vluchtelingenkamp zomaar ineens de aandacht trekt.

Zo heeft de Balkancrisis mij ervan overtuigd dat met het natuurschoon daar niets mis is. Schitterende bergruggen, tot ver in het voorjaar nog met sneeuw bedekt, en diepe dalen waarin half verscholen voetpaden geheimzinnig meanderen door woud en beemd. In het grensgebied met Albanië bevindt zich een aantal prachtige bergmeren dat, voorzover dat te zien was op de journaalbeelden uit de vluchtelingenkampen, toeristisch nog geheel onontgonnen is. Kosovo, en dan vooral het zuid-oostelijk gedeelte, moet een fantastisch wandelgebied zijn, dat de avontuurlijke trekker veel te bieden heeft.

Dit is niet de belangrijkste conclusie uit het recente Balkandrama, verre van dat, maar het is wel een conclusie die de kijker geheel op eigen houtje kan trekken na de maandenlange stroom oorlogsnieuws. Eentje waar de experts van Clingendael niets op af kunnen dingen.

Het is bovendien een conclusie die een opening biedt naar wat meer rust in het getroffen gebied. Want als straks de ramptoeristen zijn verdwenen, en de oorspronkelijke bevolking is teruggekeerd, zou het eeuwig zonde zijn de streek verder aan zijn lot over te laten. De nevel van de Middeleeuwen zou weer optrekken, en het mes andermaal gewet. Veel beter is het het internationale contact te intensiveren door Kosovo van een toeristische infrastructuur te voorzien.

Het lijkt mij een goed idee om er, onder toezicht van de UNESCO, één groot natuurpark van te maken. Rustzoekers uit de hele wereld kunnen in het ongerepte berglandschap met zijn eindeloze wandelmogelijkheden hun hart ophalen. De bevolking kan dan een dikbelegde boterham verdienen door 's avonds op het dorpsplein een etnisch dansje op te voeren en overdag de bedden te verschonen in de vele, met zorg gerestaureerde herbergen. De toeristen die hier op afkomen zijn niet de sensatiebeluste relzoekers, waar de Hongaarse busondernemer het van moest hebben. Integendeel. De moderne natuurwandelaar is hoog opgeleid, heeft een meer dan gemiddeld inkomen en haat touringcars. Hij is een beschaafde reiziger die zijn talen spreekt en altijd bereid is de plaatselijke nood, wanneer hij die op zijn trektocht tegenkomt, met een extra bijdrage te lenigen. Als het UNESCO-project zich op deze doelgroep richt, voorspel ik dat het grensgebied met Albanië zich binnen een paar jaar ontwikkelt tot de favoriete vakantiebestemming van de westerse krantenlezer.

Zijn blijvende aanwezigheid in de regio zal voor de broodnodige economische stabiliteit zorgen, en vormt op termijn een veel betere garantie voor de vrede dan de busladingen journalisten van dit moment.

Ik hoop dan ook u daar zo spoedig mogelijk tegen te komen. Zullen we zeggen volgend jaar, als de mijnen opgeruimd zijn?