Leven tussen goden en gers

Goden en demonen huizen in de Nieuwe Kerk in Amsterdam, waar gisteren een tentoonstelling van kunstschatten uit Mongolië is geopend. Getoond worden ruim honderd uitingen van kunst en cultuur van het volk van Djengis Khan.

Parasols en banieren van rode en oranje zijde versieren een torenhoge processiewagen in het midden van de Nieuwe Kerk in Amsterdam. De kar is blikvanger van de tentoonstelling De Dansende Demonen van Mongolië, die gisteren in aanwezigheid van koningin Beatrix en prins Claus is geopend. Tot 1937 werden deze wagens met daarop het beeld van Maidari, de `boeddha van de toekomst', in processies in Mongolië rondgereden.

Onder de Sovjet-overheersing kwam daar een eind aan. Monniken werden vermoord, tempels, processiewagens en kunstwerken vernietigd. Van de wagen in Amsterdam is alleen het groen fluwelen paardenhoofd voorop origineel. De rest is door leerlingen van het Hout- en Meubileringscollege in Amsterdam gereconstrueerd naar oude foto's waarop de organisatoren van de expositie stuitten in het Nationaal Archief van Mongolië.

Ruim honderd van de mooiste Mongoolse kunstschatten zijn naar Amsterdam gebracht, aangevuld met oude foto's. Onder de voorwerpen zijn religieuze beelden, schilderingen, kostuums, maskers en manuscripten. En ook typische muziekinstrumenten, zoals een beschilderde tweesnarige viool, waarop barden hun voordracht van Mongoolse sagen begeleidden. De elegante steel eindigt in drie paardenhoofden, groen zoals die op de processiewagen, en met oren die gaan trillen als de strijkstok de snaren beroert.

Gastcurator en Aziëkenner dr. Jan Fontein, voormalig directeur van het Boston Museum of Fine Arts, is samen met John Vrieze drie jaar bezig geweest met de voorbereidingen. De getoonde voorwerpen komen uit nationale musea in Mongolië en uit de Hermitage en de Kunstkammer (Museum voor Antropologie en Etnologie) van de Academie van Wetenschappen in St. Petersburg. Veelal hebben ze een religieuze betekenis.

De Mongolen hingen oorspronkelijk het sjamanisme aan. Uit hun midden kozen ze sjamanen, intermediairs tussen de mens en de wereld van de geesten. In de 16de eeuw gingen ze over op het lamaïsme, het Tibetaanse boeddhisme, maar behielden hun sjamanistische rituelen. Zo spelen goden en demonen uit beide stromingen een rol in de Tsam-dans, een soort uitdrijvingsritueel.

De dans werd uitgevoerd door monniken gehuld in rijk versierde kostuums en met imposante maskers op. Voorbeelden daarvan staan op de expositie, evenals een collectie van 72 uit hout gesneden poppetjes die de dansers voorstellen, uit het bezit van de Kunstkammer in St. Petersburg. ,,De dansen werden volgens een precieze programmering en choreografie uitgevoerd'', vertelt Fontein. ,,Na 1937 werden de dansen verboden en er zijn nog maar weinig monniken over die ze zich herinneren. Aan de hand van de poppen kunnen we het verleden reconstrueren. Ze geven tot in de kleinste details weer hoe vroeger de maskers en kostuums van de dansers in elkaar staken. Ze kloppen precies met de literatuur en de foto's die we vonden in de archieven.''

De oorspronkelijke maskers van papier-maché zijn deels aan vernielershanden ontsnapt en een aantal is te zien in Amsterdam: van goedaardig glimlachende koppen tot angstaanjagende demonen met doodskoppen in het haar, rollende ogen en uitgestoken tong. Omdat het geloof verbood ogen te doorboren, keken de dragers door de open monden van de maskers. Een van de exemplaren, een demonische kop met helm uit de 19de eeuw, is geheel ingelegd met koraal. Om niet onder de loodzware last te bezwijken, moesten dragers elkaar tijdens de plechtigheid afwisselen.

De Mongolen waren van oudsher nomaden, vooral bedreven in het bewerken van metaal, textiel, hout en leer. Veroveringen onder leiding van de legendarische Djengis Khan (1162-1227) maakten hen tot heersers over het grootste wereldrijk uit de geschiedenis. Na de dood van Djengis Khan viel het rijk weer uit elkaar. Uit dat roemruchte verleden is weinig tastbaars overgebleven.

De voorwerpen op de tentoonstelling zijn dan ook, op enkele menhirs uit de 8ste eeuw na, uit latere bloeiperioden, zoals de bronzen beelden van Zanabazar (1635-1723), een directe nakomeling van Djengis Khan. Hij was een `uitverkorene', zoals de Dalai Lama in Tibet, en werd de eerste wereldlijk leider van Mongolië die ook geestelijk leider was. Zanabazar was niet alleen een kundig staatsman, maar ook een veelzijdig kunstenaar. Hij wordt beschouwd als de grootste kunstenaar van Mongolië, waar hij als een god wordt vereerd. Op de expositie staat van hem onder meer een mooi, menselijk beeld van een god die een op zijn schoot zittende godin omarmt.

Een prozaïscher onderdeel van de expositie vormt de `ger', een opvouwbare, met schapenvilt bedekte ronde tent. Veel Mongolen wonen er nog in en moderne flatbewoners dromen van een welverdiend pensioen in de oude vertrouwde hut. De als huis ingerichte tent op de expositie mag niet betreden worden. Dat is maar goed ook, want wie tegen de hoge drempel schopt tart de schutspatroon die erin woont. Een echte Mongool stapt dan ook altijd óver de drempel. Buiten op de Dam staat een grotere ger waar iedereen gewoon in mag. Er is een fototentoonstelling en er zijn wisselende activiteiten, alle in het kader van de Mongolië-expositie.

De Dansende Demonen van Mongolië, De Nieuwe Kerk, Dam, Amsterdam. T/m 17 oktober. Dag 10-18u, do tot 22u. Cat. ƒ25,- (geb. ƒ39,90). Inl. (020) 638 69 09. Mongoolse films in het Filmmuseum: 26 juni `Urga', 27 juni `State of Dogs', aanvang 17u.