Kamperfoelie

Wat is de slordigste plant in de tuin? De kamperfoelie, zonder de minste twijfel. Ik weet zelfs welke variëteit het slordigst is: Lonicera japonica, de Japanse kamperfoelie, die er uitziet als een aan de muur gehangen knot wol waar jonge katten mee hebben gespeeld. Zij groeit alle kanten uit behalve de gewenste: zijwaarts, over de muur, achter de klimop die zij moest verfraaien. Een tak ervan groeide zelfs naar beneden tot hij de grond bereikte, waar hij wortel schoot en vervolgens nog weer een andere kant uit ging. De uiteinden van de stengels waar de bloemen aan komen raken met elkaar verstrengeld, hebben zich aan naburige planten gehecht of zijn op weg naar de tuin van de buren.

Het zou er indrukwekkend uitzien, dacht ik, als het allemaal in één klomp bij elkaar zat, maar toen herinnerde ik mij hoe je kamperfoelie dat soms ziet doen, op een eigengereide kamperfoeliemanier, wanneer de plant als gevolg van een of ander obstakel, bijvoorbeeld een dakrand, besloten heeft om niet meer te klimmen en daar samengeklit hangt als een ongekeerde traan, met al de bloemen tegen elkaar aan gepakt. Dat is ook geen gezicht. Ik heb nog twee andere kamperfoelies die zich iets wellevender gedragen, een Lonicera periclymenum `Belgica' en een L.p. `Serotina', maar die krijgen weinig zon en bloeien dus nauwelijks, zodat hun aanwezigheid eigenlijk geen reden heeft. Het is niet waar, wat in de tuinboeken staat, dat kamperfoelie tevreden is in de schaduw. Ze verdragen het, ze gaan niet dood in de schaduw, maar je kunt ook niet zeggen dat ze gedijen. Hoe meer zon hoe beter.

Een niet-bloeiende kamperfoelie zou de meest zinloze plant van allemaal zijn, op de voet gevolgd door een kamperfoelie die niet geurt. Voor enige tijd hadden we een L. x brownii `Dropmore Scarlet', een prachtige rode soort; zij zag er indrukwekkend uit maar rook naar niets. Alice Coats schreef dat ,,een kamperfoelie zonder geur is als een man zonder schaduw'', en het lijdt geen twijfel dat er voor het lied You are the honeysuckle, I am the bee weinig aanleiding zou zijn als het om een `Dropmore Scarlet' ging. Niettemin, als je genoeg geurende hebt, is een enkele nietgeurende ertussen wel toelaatbaar.

De bloem van de gewone kamperfoelie herinnert in een zeker stadium aan de vingers van een rubber handschoen, tot en met de roze kleur; totdat zij opengaan. De kleur binnenin de bloem blijkt, als zij eenmaal open is, anders te zijn dan de kleur aan de buitenkant, meestal een roomachtig wit, en als de bloemen eenmaal bestoven zijn of alleen maar wat ouder, verandert deze inwendige kleur in geel. De geur is hemels; de kamperfoelie is, met de roos, de plant waar je het moeilijkst langs kunt lopen zonder er aan te ruiken; de geur is 's avonds het sterkst, om de pijlstaartvlinder aan te trekken die het stuifmeel overbrengt.

Lonicera periclymenum is inheems in Europa en ook slordig; de twee meest voorkomende cultivars, `Belgica' en `Serotina', zijn meer gedrongen. `Belgica', de vroege, bloeit één keer met lichtrose bloemen, en `Serotina', die al gekweekt werd in 1715, bloeit later (ik haal ze niet meer door elkaar sinds ik de moeite heb genomen om op te zoeken wat serotinus betekent: laatbloeiend of -rijpend). Zij heeft donkerder, meer naar het paars neigende bloemen en blauwachtige bladeren; ook blijft zij bloeien tot in de nazomer. Graham Stuart Thomas, naar wie een kamperfoelie is genoemd, adviseert ze in het vroege voorjaar te snoeien; zij bloeit op de zijscheuten van dit seizoen.

Linaeus gaf de naam Lonicera ter ere van Adam Lonitzer (1528-86), een Duitse arts die een populair Kreuterbuch schreef, verschenen in 1557, en periclymenum betekent `rond rollen'. Het schijnt dat kamperfoelie meer schade kan veroorzaken dan klimop, met haar verstikkende omhelzing. Op een jonge boom kan een spiraalsgewijze slingerende kamperfoelie zich zelfs insnoeren tot in het hout; Dr Johnson maakt ergens een opmerking over `honeysuckle wives' die `gewoonlijk de boom doden die zij zo teder omhelzen'. Waar de alledaagse namen vandaan komen is minder duidelijk: caprifolium, chèvrefeuille en kamperfoelie schijnen ontleend te zijn aan de voorliefde die geiten voor de bladeren zouden hebben, en niet, zoals ook wordt beweerd, omdat zowel de planten als geiten klimmers zijn.

Een gangbare Engelse naam is woodbine, die ter meerdere verwarring `verstrengeld met honeysuckle' voorkomt in A Midsummer Night's Dream. Ook bij Dickens (in Our Mutual Friend) vinden wij een galerij ,,ornamented with honeysuckle and woodbine twining''. De verklaring is dat woodbine niet altijd kamperfoelie betekent, het kan ook winde zijn. Als je zoiets in een Chinese tekst tegenkwam, zou je iets mompelen over een typisch Chinese verwarring.

In China is de kamperfoelie uiteraard bekend: de eerste Lonicera japonica die Europa bereikte kwam uit China, verstuurd vanuit Canton door William Kerr naar de directeuren van de East India Company, met het schip Hope, gezagvoerder Captain Prendergass, in 1806 (het heeft iets aardigs ook de naam van het schip te weten). In China heet de kamperfoelie jinyin hua, `goud en zilver bloem'; de kleur van de bloem is niet roze maar begint wit en wordt dan geel. De plant is ook bekend als rendong, `de winter doorstaand', misschien omdat het een groenblijvende plant is, in tegenstelling tot de Europese kamperfoeliesoorten, die bliadverliezend zijn (maar heel vroeg in het voorjaar beginnen te groeien, dus ook `winter doorstaand' in feite).

Mijn slordigste kamperfoelie is L.j. `Halliana', die altijd als een uitbundige bloeier wordt beschreven. De bloemen, heerlijk zoetgeurend, groeien paarsgewijze in de bladoksels, anders dan de andere soorten met hun bloemen aan het einde van de stengel. Ze beginnen inderdaad als zilver, en worden dan goud. En in weerwil van wat Shakespeare zei over de roos by any other name: een plant genaamd `Gouden en Zilveren Bloem' zie je ook werkelijk anders dan een prozaïsche Lonicera japonica.