Hoe effectief is de G7/8?

De jongste top van de leiders van de zeven belangrijkste industrielanden en Rusland in Keulen heeft veel papier geproduceerd. Niet ongebruikelijk bij zulke bijeenkomsten. In Keulen waren er zes verschillende communiqués en rapporten van in totaal ruim 50 pagina's.

Wat er van al die papieren uitspraken, wensen, voornemens en beloften terechtkomt? Meer dan menig buitenstaander denkt, die het `circus' van de wereldleiders aanschouwt.

Hoogleraar politicologie John Kirton van de University of Toronto is een van de wetenschappers die al enkele jaren onderzoek doet naar de effectiviteit van de G7/8. Hierbij wordt nauwkeurig gekeken naar wat is beloofd en wat na een of meer jaren is uitgevoerd. De bevindingen zijn neergelegd in bundel The G8's Role in the New Millennium (1999, Aldershot, Engeland).

In het boek wordt de effectiviteit van de G7 - Rusland blijft in het onderzoek buiten beschouwing - precies becijferd volgens een kwantitatieve schaal die loopt van min 1 tot plus 1 loopt. `Plus 1' betekent dat de beloften na een jaar zijn waargemaakt, terwijl `min 1' inhoudt dat juist het tegenovergestelde is gedaan van wat is beloofd. Over de periode 1975-1989 blijkt de score voor de G7 als geheel plus 0,3 te bedragen. Het gebrek aan representativiteit van de G7 (slechts 7 landen) is volgens Kirton redelijk opgevangen door meer overleg met andere fora.

De scores zijn berekend door de Amerikaanse hoogleraren Ella Kokotsis en Joseph P. Daniels. Zij gingen voorts na hoe de landen zich afzonderlijk hebben gedragen. En ook op welke beleidsterreinen afspraken goed of minder goed worden nagekomen.

Groot-Brittannië toont zich met een score van 0,413 het meest voorbeeldig, op de voet gevolgd door Canada met 0,409. Frankrijk eindigt met 0,240 onderaan en de VS zijn voorlaatste met een score van 0,246.

Volgens politicoloog Kirton, vorig weekeinde met zijn staf in Keulen aanwezig, spelen verschillen in politieke systemen een belangrijke rol.

In Groot-Brittannië kan de regering haar eigen wensen gemakkelijk uitvoeren, omdat zij door het kiesstelsel over een absolute meerderheid in het Lagerhuis kan beschikken beschikt. ,,En Canada is een klein land. Om in de club te blijven moet het beter zijn best doen. Het is net als met Nederland'', aldus Kirton.

De presidenten van Frankrijk en de VS zijn veel minder in staat hun beloften waar te maken. De presidenten moeten nogal eens samenwerken met een onwillige meerderheid van de tegenpartij in het parlement. In Frankrijk is nu sprake van een cohabitation tussen een rechtse president (Chirac) en een linkse premier met dito parlement. In de VS heeft president Clinton te maken met een door Republikeinen gedomineerd Congres.

De middelmatige prestatie van Duitsland en Japan lijkt te verklaren uit de coalities die in deze landen regeren. In Japan is weliswaar meestal de liberale LDP alleen aan het roer, maar deze partij bestaat uit meer facties.

Minstens zo interessant zijn de nog sterkere scoreverschillen tussen de uiteenlopende beleidsterreinen. Het best worden afspraken nagekomen op het gebied van internationale handel. Van voornemens met wisselkoersen komt echter hoegenaamd niets terecht. Dit laatste is verklaarbaar uit het feit dat markten nu eenmaal sterker zijn dan regeringen. Dat `internationale handel' goed scoort heeft volgens Kirton te maken met het second shock effect. Een eerste mislukking schokt de wereldleiders, waarna ze extra hun best doen. Zo was de Tokio-ronde voor handelsliberalisering in 1973 op sterven na dood. Maar in 1977 trad de G7 alsnog handelend op, daartoe gedwongen door de economische crisis, waarna de Tokio-ronde in 1979 met succes werd afgesloten. Met de Uruguay-ronde deed zich begin jaren negentig iets soortgelijks voor. De oliecrisis van 1979 leidde tot effectief optreden van de G7, opnieuw gedwongen door heersende economische malaise en met de lessen van de oliecrisis van 1973 (second shock effect) in het achterhoofd.

Uit een beperkter onderzoek (VS en Canada) naar de meer recente periode vanaf 1989 blijkt dat de landen zich niet alleen ambitieuzere doelen stellen, maar zich bovendien beter aan hun beloften houden. Al lopen de prestaties nog steeds sterk uiteen per beleidsterrein.

Kirton meent dat de globalisering de G7 tot beter gedrag heeft gedwongen, waarbij het grotere aantal (financiële) crises en milieubedreigingen een rol speelt. Hij spreekt van de toegenomen ,,onderlinge kwetsbaarheid''. Kirton: ,,In Tokio stonden de leiders in 1986 in de regen die radio-actief was door de ramp in Tsjernobyl.'' Ook ,,gewenning'' aan internationale samenwerking leidt tot betere resultaten. Zo blijken ministeries van Financiën en Buitenlandse Zaken het best te scoren, omdat zij hun organisatie hebben aangepast. Het voorbeeldige gedrag van Kirton's eigen Canada kan volgens hem mede worden toegeschreven aan het afstemmen van het overheidsapparaat op internationale samenwerking.

In de visie van Kirton is de G7 een ,,effectief instrument'' voor global governance in de volgende eeuw. ,,Wat in Keulen is besloten, doet ertoe.''