`GEEN GROTE DURE TOPONDERZOEKSCHOLEN MAAR KLEINERE GROEPJES'

Niet langer het ministerie, maar de universiteiten en onderzoeksorganisaties zelf moeten het wetenschapsbeleid bepalen. Vindt minister Hermans. Maar de minister behoudt natuurlijk het toetsingsrecht.

`Laat de onderzoeker onderzoeken. Val hem niet om de haverklap lastig met papieren, met bureaucratische rompslomp, maar geef hem de broodnodige creatieve ruimte. Dus: zelfregulering en meer autonomie bij de universiteiten. Het is niet de minister van wetenschapsbeleid die het onderzoek kan maken in dit land, aan centrale sturing heb ik geen behoefte. Ik kan stimuleren, erop toezien of het geheel goed draait. Ik kijk of de omvang, de kwaliteit en het vernieuwend vermogen van het onderzoek op peil zijn, of het geld goed is besteed.''

In zijn werkkamer te Zoetermeer laat drs. L.M.L.H.A. Hermans, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, er geen twijfel over bestaan: de instellingen voor wetenschappelijk onderzoek in Nederland moeten niet ``hun stoep naar boven willen schoonvegen'' maar eigen verantwoordelijkheid dragen. In het donderdag gepresenteerde Wetenschapsbudget 2000, dat Hermans de titel Wie oogsten wil moet zaaien meegaf en waarin hij de kabinetsplannen voor het wetenschapsbeleid voor de komende vier jaar ontvouwt, heet het dat de minister een `transparanter onderzoeksbestel' wil. Het veld stelt voortaan in vierjaarlijkse strategische plannen zijn prioriteiten en kiest een eigen profiel. Zo hoopt Hermans de beheerslast, die het onderzoek steeds sterker begon te overwoekeren, terug te dringen. De minister toetst de plannen – en verbindt daar zo nodig consequenties aan – en schakelt NWO, de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek, in om het geld voor het fundamentele, vernieuwende onderzoek te verdelen en zo het vernieuwingsbeleid gestalte te geven.

Bijzondere aandacht is er in het Wetenschapsbudget 2000 voor het fundamentele, op vernieuwing gerichte onderzoek. Hermans acht het van grote maatschappelijke betekenis: het draagt in hoge mate bij aan het reservoir van toepasbare kennis en staat in veel gevallen soms onverwacht aan de basis van innovaties. Niettemin is het fundamentele onderzoek de laatste jaren door krimpende budgetten, toenemende bureaucratie, de roep om maatschappelijke relevantie, de opmars van het korte-termijndenken en een schreeuwend gebrek aan doorstromingsmogelijkheden van jong talent onder druk komen te staan.

Hermans wil het nu beschermen en meer armslag geven via een `Vernieuwingsimpuls'. Het beschikbare budget zal in 2003 oplopen tot 75 miljoen gulden per jaar, waaronder 10 miljoen aan nieuw geld. Hermans: ``Ik heb NWO, de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen en de samenwerkende universiteiten gevraagd komend najaar met een plan te komen de Vernieuwingsimpuls in te vullen. NWO wordt de uitvoerder, er is één kapitein. Zodra de begroting het toelaat wil ik naar 100 tot 150 miljoen. Ik zie de Vernieuwingsimpuls als een keerpunt.''

Veel bedrijven zetten het fundamentele onderzoek buiten de deur, alleen de universiteiten en aanverwante instituten lijken zich er nog om te bekommeren. Toch kan de maatschappij niet zonder. Onderkent de maatschappij voldoende het belang van fundamenteel onderzoek?

Hermans: ``Misschien is het de snelheid van de huidige samenleving, we willen direct resultaat. Vandaag doen, morgen kunnen zien. Misschien dat daardoor de aandacht voor fundamenteel onderzoek lijkt weg te ebben. Als de bedrijven het fundamentele onderzoek afstoten, moet de overheid inspringen. Maar in de maatschappij is de belangstelling gering. Neem de presentatie van de nota, zonet in Nieuwspoort. Daar waren maar een paar journalisten, terwijl het toch om een heel belangrijk punt gaat. Die nota heet niet voor niks `Wie oogsten wil moet zaaien'. Dat het nu goed gaat komt omdat we in het verleden ons best gedaan hebben. Als we nu niet zaaien komt er in de toekomst niks omhoog, of alleen onkruid.''

Legt dat geen extra verantwoordelijkheid bij de minister van wetenschapsbeleid?

``Jazeker. Juist daarom hebben wij de Vernieuwingsimpuls ingezet. De afgelopen jaren is de discussie overheerst door de toponderzoekscholen, de selectie van de eerste zes heeft veel stof doen opwaaien. Kiezen voor topkwaliteit en dat uitbouwen en ook uitvoeren is uitstekend, maar het ging wel om grote clubs waardoor alleen de bèta's aan hun trekken kwamen en de alfa's en gamma's buiten de boot vielen. En dat terwijl binnen de universiteiten juist op die gebieden op kleine schaal sterk vernieuwend onderzoek plaatsvindt, een hoogleraar met een paar medewerkers die zeer fundamenteel bezig zijn. In plaats van opnieuw de nadruk op topkwaliteit te leggen let ik op flexibiliteit en vernieuwingsvermogen. Maak het beste vernieuwende onderzoek zichtbaar en biedt het armslag, geef het de creatieve ruimte. De Vernieuwingsimpuls moet specifiek aandacht schenken aan de alfa's en de gamma's, daar gaan we nadrukkelijk op toezien.''

Voor de Vernieuwingsimpuls trekt u 75 miljoen per jaar uit. Tien miljoen daarvan is echt nieuw geld en dat komt pas in 2003 beschikbaar. Is dat gezien de ernst van de zaak niet wat mager?

``Ach, is 100 miljoen wel genoeg, 150 miljoen? Het is duidelijk mijn bedoeling het bedrag op te voeren. En vergeet niet dat we niet langer over grote kostbare toponderzoekscholen praten maar over kleinere groepjes. Dan kun je veel doen.''

Bij de besteding van de vernieuwingsimpuls is een sleutelrol weggelegd voor NWO. Die moet rekening houden met verkenningen waarbij allerlei sectoren hun wensen op tafel leggen. Hoe zal dat in de praktijk gaan?

``NWO maakt een strategisch plan en legt dat aan de minister voor. De minister toetst, onder andere rekening houdend met de uitkomsten van de verkenningen en en de mate van vernieuwing. Als je fundamenteel onderzoek doet, kan zich dat afspelen op terreinen waar maatschappelijk gezien op dat moment minder behoefte aan is. Ik zeg: NWO, kijk goed naar wat er aan maatschappelijke signalen naar boven komt en combineer dat met je taak ten aanzien van het vernieuwende fundamentele onderzoek. Niet dat NWO blind achter de verkenningen aan moet lopen, maar ik denk dat het goed is om bij de keuze van je onderwerpen scherp te letten op maatschappelijke relevantie.''

Is niet een wezenlijke eigenschap van fundamenteel onderzoek dat je van te voren niet weet wat er uit komt? Heeft inspringen op maatschappelijke wensen niet het gevaar in zich dat je snel in de toegepaste sfeer belandt?

``Je moet zoeken naar de juiste balans. Trek je je terug in het bastion wetenschap, zonder je iets van de buitenwereld aan te trekken, dan is dat bijna l'art pour l'art. Dat willen we ook niet. Het gaat om het evenwicht tussen wat echt fundamenteel is en wat zich in de samenleving afspeelt. Let wel, alles wat uit de Vernieuwingsimpuls gehonoreerd wordt, moet voldoen aan de criteria voor fundamenteel vernieuwend onderzoek. Maar bij de selectie van projecten moet ook de maatschappelijke behoefte meewegen.''

Hoe lang krijgt zo'n project de kans? Is fundamenteel onderzoek niet juist een kwestie van jaren zwoegen, ploeteren, doorploegen en maar hopen op resultaat?

``Dat mag van mij. Je hebt hier een potje waarvan over een aantal jaren wellicht blijkt dat maar eenderde van de investeringen hun relevantie hebben bewezen. Maar de Vernieuwingsimpuls is dan ook bestemd voor baanbrekend onderzoek dat Nobelprijswinnaars op kan leveren. Zulke mensen moeten de universiteiten in huis hebben, dat is van het grootste belang. Het gaat om dat ene onderzoek dat wel wat nuttigs heeft opgeleverd, en dat ik anders misschien was kwijtgeraakt.''

Het carrièreperspectief voor aanstormend wetenschappelijk talent is bedroevend. De zaak zit verstopt met wetenschappers van 45-60 jaar. Ook dringen vrouwen nauwelijks door tot de hogere functies. Wat heeft u te bieden?

``Om te beginnen is bij de universiteiten een decentralisatie van de arbeidsvoorwaarden doorgevoerd. Zij kunnen de zaken nu op maat regelen. Verder pas ik een half miljoen gulden bij bij de anderhalf miljoen die NWO heeft uitgetrokken om meer vrouwen in hogere functies te krijgen. En voor de zeer getalenteerden zijn er bijvoorbeeld Van der Leeuw-hoogleraarstoelen om ze, in afwachting van een vrijkomende post, alvast academisch voor te parkeren.''

Bent u niet bang dat zelfstandige universiteiten ertoe overgaan kleine, onrendabele studies weg te bezuinigen?

``Als autonomie betekent dat universiteiten alleen de populaire richtingen willen houden, dan denk ik dat we een probleem hebben. Universiteiten kunnen met elkaar overleggen om zo taken te delen. Zo bestaat op het gebied van de letteren een convenant dat zekerstelt dat over de gehele breedte van dat gebied expertise in ons land aanwezig is. Die portfolio-aanpak is ook toepasbaar voor de wiskunde en de natuurwetenschappen. Universiteiten kunnen met elkaar afspraken maken over uitruil van taken. En voor de heel kleine en heel specifieke opleidingen is er wellicht samenwerking mogelijk met Vlaanderen, Duitsland of Engeland.''

Het draagvlak voor extra investeringen in fundamenteel onderzoek is gering, de man in de straat loopt niet warm voor vernieuwende, explorerende wetenschap. Hindert u dat niet in uw politieke streven naar extra geld?

``We maken allemaal gebruik van dingen die voortkomen uit fundamenteel onderzoek. Het zou goed zijn het publiek te tonen hoe penicelline ontstaan is, wat we kunnen doen met kennis van het culturele verleden, langs welke weg onderzoek heeft geleid tot nieuwe technieken voor verkeersbeheersing. Iedereen kent het verhaal van madame Curie. Als je dat op een weldoordachte, populaire manier via de media laat zien, zullen de mensen inzien dat fundamentele ontdekkingen langdurige investeringen vergen, dat je moet zaaien voor je kunt oogsten.''