Eindcijfers

Als sprake is van grove willekeur, als het daarbij een onderwerp betreft waar vrijwel iedereen ooit mee te maken krijgt, en als velen er bovendien ook nog eens persoonlijk belang bij hebben, dan kan het toch moeilijk anders dan dat daar veel en diepgaand over wordt gediscussieerd. Dus hebben alle kranten de afgelopen weken bol gestaan over de eindexamenresultaten, met talloze voorbeelden van net wel respectievelijk net niet geslaagden waarbij menige gezakte over het geheel genomen een betere prestatie had geleverd dan menige geslaagde.

Omdat helaas niemand het de moeite waard vindt hier aandacht aan te besteden, omdat de principes die gelden bij dit soort beslissingen blijkbaar als onaantastbaar worden ervaren, wil ik in m'n eentje proberen u hierover aan het denken te zetten.

Het eindcijfer voor ieder vak is gebaseerd op twee cijfers: een voor het schoolonderzoek, het andere voor het centraal schriftelijke eindexamen. Het schoolonderzoek omvat een aantal onderdelen waaruit ten slotte een gemiddelde wordt afgeleid. Laten we zeggen een 6,2. Om aan een voldoende te komen als eindcijfer moet deze leerling op het centraal schriftelijk ten minste een 4,8 halen. Dit betekent namelijk een totaal van 11 punten. Gedeeld door 2 levert dit een 5,5 op en omdat halve cijfers naar boven worden afgerond, wordt dit een zes.

Haalt deze leerling een 4,7 dan is het resultaat 5,45 en dat wordt een 5, een onvoldoende dus. Dit is het spel, zo zijn de regels. Ergens moet je een grens trekken. Sneu natuurlijk voor de leerling die net iets tekort komt, maar grensgevallen zullen zich altijd voordoen, daar valt niet aan te ontkomen. Tot zover niets aan de hand.

Op atheneum en gymnasium doen leerlingen examen in zeven vakken. Als ze twee vijven hebben moeten ze ten minste één zeven hebben ter compensatie. Dit betekent dat men ervan uitgaat dat ondermaatse prestaties gecompenseerd kunnen worden door bovenmaats presteren elders.

Bij de beslissing voldoende dan wel onvoldoende ben je uiteraard aangewezen op een grens waarbij je naar beneden dan wel naar boven moet afronden, maar bij de vraag of er sprake is van compensatie is dat nergens voor nodig. Toch gaat men ook daarbij uit van afgeronde cijfers. Daardoor wordt volstrekt onnodig ook de vraag of sprake is van compensatie afhankelijk van afrondingsgeluk of -pech.

De leerling die naast 4 zessen voor de resterende drie vakken twee maal 4,5 en een maal 6,5 scoort, is geslaagd; de leerling met tweemaal 5,45 en eenmaal 6,45 is gezakt, terwijl die toch meer ter compensatie had. Omdat veel onderdelen van het eindexamen worden beoordeeld door middel van multiple choice vragen, waarbij de geluksfactor een belangrijke rol speelt, is het zaak de rol van die factor bij het bepalen van het eindresultaat zo veel mogelijk te beperken, anders wordt het helemaal een loterij.

Het zou daarom redelijk zijn om, waar het gaat om compensatie, uit te gaan van de onafgeronde resultaten. Die geven een eerlijker beeld van de prestatie als geheel dan de afgeronde eindcijfers. Hetzelfde geldt voor het gemiddelde, zoals dat speelt voor de selectie bij onder meer medicijnen. Daar is het mogelijk dat Ellen die 5,5 punten hoger scoort dan Anne, per vak gemiddeld dus bijna een vol punt meer, net geen 8 gemiddeld haalt, terwijl Anne met veel geluk, wel op een 8 uitkomt. Terwijl we met de nieuwe regelgeving de rol van geluk of pech juist hebben willen terugdringen, moet Ellen nu toch loten. Dat belooft voor zo'n pechvogel natuurlijk weinig goeds.