Eerherstel voor een vrije reiziger

In Amerikaanse sociologie-handboeken verschijnen voor het eerst vrouwelijke sociologen. Harriet Martineau krijgt na anderhalve eeuw eindelijk een plaats in het canon.

SOCIOLOGEN dwepen met klassieken: grote werken van zonder uitzondering mannelijke auteurs. Nu het overgrote deel van de studenten sociologie vrouw is, rijst de vraag naar het bestaan van vrouwelijke klassieke sociologen. Die bestaan. Tien jaar geleden al herontdekte een kring van Amerikaanse en Canadese sociologen Harriet Martineau (1802-1876). Haar How to observe Morals and Manners (1838) is inmiddels opnieuw uitgebracht dankzij Michael Hill. Hill is medewerker van Mary Jo Deegan van de University of Nebraska-Lincoln, een pionier in het onderzoek naar vrouwelijke sociaal-wetenschappers. In 1992 werd door Susan Hoecker-Drysdale een biografie van Martineau gepubliceerd. Hill en Hoecker-Drysdale hebben de Harriet Martineau Sociological Society opgericht. Binnenkort zullen ze het boek Harriet Martineau: theoretical and methodological perspectives publiceren.

Hun inspanningen zijn niet vergeefs geweest. Martineau is inmiddels doorgedrongen tot de Amerikaanse handboeken, zoals de tweede editie van George Ritzer's Classical Sociology (1996) en de zesde editie van Sociology door Richard Schaefer en Robert Lamm (1998). Martineau krijgt hierin een plaats naast de grondleggers van de sociologie Comte en Saint-Simon. Ook vrouwen die later publiceerden, gelijk met Marx, Weber en Durkheim, worden herontdekt.

De vrouwelijke sociologen maken hiermee geen entree, maar een rentree, betogen de Amerikaanse hoogleraren Patricia Lengermann en Jill Niebrugge in hun onlangs verschenen The Women Founders (1998). Want vele vrouwelijke sociologen waren tijdens hun leven bekende publieke figuren en werden gewaardeerd om hun sociale analyses. Harriet Martineau was tot haar dood een prominent intellectueel in Engeland. Jane Addams (1860-1935) gaf in Chicago leiding aan een onderzoeksinstituut en was een nationaal bekend en gewaardeerd voorvechtster van rechten voor achtergestelde groepen. Marianne Weber (1870-1954) was een leidende figuur in de Duitse feministische beweging, organiseerde intellectuele salons, schreef artikelen over de juridische positie van vrouwen en publiceerde haar essays.

niet erkend

Ondanks hun toenmalige publieke posities en werken verdwenen deze en andere vrouwen als auteurs uit de geschiedschrijving van de wetenschap. Martineau wordt nog voornamelijk herinnerd als vertaalster in het Engels van Auguste Comte's Cours de Philosophie Positive, Addams wordt herinnerd als sociaal-werkster en Weber als de echtgenote en biograaf van Max Weber. Hun wetenschappelijke autoriteit werd niet erkend door hun mannelijke tijdgenoten en de mannelijke auteurs die overzichtswerken publiceerden. Zo kreeg Marianne Weber op haar verzoek om toezending van boeken te horen van haar aankomend echtgenoot Max dat zij er beter aan deed zich meer met praktisch-huishoudelijke zaken te bemoeien; Max bezat meer intellectuele talenten. Maar over Harriet Martineau werd in haar necrologie wel geschreven dat zij `mannelijke kwaliteiten' bezat, zoals een liefde voor de waarheid.

De vraag is of nu met terugwerkende kracht de slinger doorschiet naar de andere kant; wordt om het vrouwelijk publiek tegemoet te komen niet ongenuanceerd ingespeeld op een come-back van vrouwelijke klassieken? Is herziening van de geschiedenis van de sociologie niet een misplaatste vorm van politieke correctheid?

George Ritzer, auteur van verschillende sociologische handboeken en verbonden aan de University of Maryland, ontkent dat opname van het werk van vrouwen misplaatst is. Hij kreeg naar eigen zeggen bijna louter positieve reacties op het vrouwen-hoofdstuk in zijn Classical Sociology. De negatieve reacties betroffen het feit dat hij het hoofdstuk over vrouwen niet zelf had geschreven.Volgens Ritzer waren Lengermann en Niebrugge gewoonweg beter thuis in de materie. Ook in de volgende editie van zijn Classical Sociology zullen de vrouwen weer van de partij zijn.

De komst van de vrouwelijke sociologen lijkt dus blijvend. Dat geldt zeker voor Martineau die een bijzondere plaats inneemt als pionier van een meer interpretatieve stroming in de sociologie. Met haar zoektocht naar manieren om samenlevingen systematisch en objectief te observeren lijkt zij zich te kunnen meten met Auguste Comte en Henri Saint-Simon. In empirisch onderzoek gaat het om tastbare en meetbare feiten, zo schrijft Martineau in How to Observe Morals and Manners (1838). Haar centrale methodologische stelregel is dat het in onderzoek gaat om de waarneming van dingen (Things) en pas in de tweede plaats om het commentaar van mensen op de dingen (Discourse). Indianen, zo schrijft zij ter illustratie, waren helemaal niet onder de indruk van de woorden van de blanken, zij waren onder de indruk van het zien van een stoomschip.

How to observe Morals and Manners biedt een handleiding wat en hoe te onderzoeken. Anders dan Emile Durkheim zestig jaar later meet Martineau sociale feiten niet in eerste instantie via formele statistieken en verslagen, maar veel meer door alledaagse bezigheden in kaart te brengen: wat eten en drinken mensen; lezen of dansen ze; welke liederen zingen zij? Waar Durkheim zich richt op officiële zelfdodingsstatistieken, observeert en turft Martineau grafstenen, leest inscripties en observeert begraafplaatsbezoekers. Geen betere plaats dan de begraafplaats om te zien wat mensen het diepst in hun hart treft, aldus Martineau. Waarden als trouw en liefde, vrijgevigheid en moed nemen op grafstenen solide vormen aan.

Martineau bepleit onpartijdige waarneming. De reiziger, oftewel de student of society, c.q. observator (de woorden sociologie of socioloog gebruikt Martineau niet) moest zoveel mogelijk zonder vooroordeel systematisch waarnemen, niet te snel oordelen en niet geschokt zijn over andere gedragingen dan de zijne of hare. Een sociale ontmoeting is niet mislukt, zo schrijft ze, als de aanwezigen met hun vingers eten in plaats van met vorken. En de deur open laten staan is sociaal onaanvaardbaar in Groenland, maar hem sluiten is misdadig in een Hindoe-onderkomen. Ze geeft voorbeelden van de noodzaak tot een open geest en is teleurgesteld over de waarnemingen van vele reizigers die haar voorgingen; hun observaties zeggen waarschijnlijk meer over de observator dan over de geobserveerde, zo kritiseert zij.

De zoektocht naar onpartijdige observatie-methoden betekent echter niet dat gestreefd kan worden naar waarden-neutraliteit. In dit opzicht verschilt Martineau sterk van haar tijdgenoten Comte, Saint-Simon en Spencer, die allen de sociale wetenschappen als objectieve wetenschap wilden modelleren naar de natuurwetenschappen. Volgens Martineau is de onderzoeker een moreel wezen dat met sympathie poogt te begrijpen wat anderen doen. Daarbij dient de waarnemer zo kritisch mogelijk te staan ten opzichte van morele gedragingen en onpartijdige evaluatie-instrumenten te ontwikkelen. Eén manier om dat te bewerkstelligen is de werkelijkheid confronteren met de principes die door de maatschappij zelf gedefinieerd zijn, ofwel de confrontatie van gedrag (manners) met moraal (morals). Die uiteenlopende configuraties tussen gedrag en moraal zijn bij uitstek het onderwerp van de sociologie.

In tegenstelling tot tijdgenoten als Comte, Saint-Simon en Spencer formuleert Martineau geen theorie waarin wordt voorspeld hoe volgens een unilineaire ontwikkeling de samenleving uitgroeit tot moderne industriële samenleving. Sociale verandering is volgens haar het gevolg van anomalieën tussen gedrag en moraal. Door grote diversiteit van de menselijke samenlevingen kan die verandering niet worden gevangen in één alomvattende theorie. Wel kunnen deze samenlevingen worden bestudeerd volgens één methode van aanpak: die is gericht op het in kaart brengen van morals en manners.

slavernij

Haar theoretische uitgangspunten past Martineau toe in een studie van de Amerikaanse samenleving. Haar driedelig werk Society in America (1837) doet verslag van een twee jaar durende reis door de Verenigde Staten. Het werk is een mengeling van statistieken en verslagen, waarbij ooggetuigeverslagen worden afgewisseld met generalisaties. Haar analyses richt Martineau steeds in volgens de vraag hoe de situatie in de Verenigde Staten zich verhoudt tot de principes waarop zij is gefundeerd. Zij confronteert gedragingen met de moraal zoals neergelegd in de Onafhankelijkheidsverklaring - all men are created equal. Slavernij beschouwt Martineau als de grootste anomalie binnen de Amerikaanse samenleving. Ook de principes van vrijheid en gelijkheid, het principe dat politieke leiders hun macht ontlenen aan toestemming van burgers en het principe van wederzijdse gerechtigheid zijn strijdig met wat Martineau waarneemt. De repressie van zwarten is wat de vreemdeling het meest treft, aldus Martineau, die vele concrete situaties beschrijft. Een negerin die ontsnapt, een trap opvlucht, de kamerdeur barricadeert en uit het raam springt. Zwarte meisjes in New Orleans die worden opgevoed tot minnaressen voor blanke mannen.

Martineau steekt haar betrokkenheid voor zwakkeren in de samenleving niet onder stoelen of banken. Voor de hedendaagse lezer van haar werk wringt dat wel eens met de idee van wetenschappelijke objectiviteit. Volgens Michael Hill is dat ten onrechte. Hill, de socioloog die Martineau's werk tien jaar geleden nieuw leven inblies, publiceert binnenkort zijn essay A methodological comparison of Harriet Martineau and Alexis de Tocqueville. Daarin concludeert hij dat haar werkwijze vele malen wetenschappelijker dan die van Alexis De Tocqueville, tijdgenoot en reiziger wiens Democracy in America tegelijk met Martineau's Society in America verscheen, maar wiens reisverslag vele malen bekender is. De Tocqueville's verslagen ogen objectief, zo stelt Hill, maar zijn bij nader inzien sterk ideologisch gekleurd. Martineau daarentegen spreekt haar sympathieën meer uit, expliciteert haar methodologische uitgangspunten en werkt systematisch haar lijst met sociale indicatoren af waarbij ze steeds relaties tussen moraal en gedrag analyseert. Haar observaties staan dichter bij mensen, verslaan vaker specifieke situaties en gesprekken.

handicap

Haar aanpak hangt samen met haar achtergrond. Martineau was tevens schrijfster en journaliste. Zij schreef voor haar brood; nadat haar vaders textielfabriek failliet ging en hij overleed, moest Martineau meehelpen om het gezin draaiende te houden. In verband met haar handicap, een doofheid die later deels werd opgelost met een gehoorhoorn, werd besloten dat Harriet thuis zou werken. Zij kon kiezen tussen naaien of schrijven en koos voor het laatste. Ze publiceerde een succesvolle educatieve serie over politieke economie die beter verkocht dan Dickens en haar uit de financiële misère redde. Intussen liep haar verloving met een predikant stuk toen hij aan een zenuwinzinking bleek te lijden en werd opgenomen. Martineau, die toch al twijfelde aan de verbintenis, vroeg al haar brieven aan hem terug en verbrak alle contact. Haar ex-verloofde overleed en Martineau bleef de rest van haar leven overtuigd vrijgezel. Ze wijdde haar leven aan het schrijven.

Martineau is nog steeds bekender als victoriaans literator dan als sociologe. Dat komt niet alleen omdat zij als vrouw geen toegang had tot de universiteit, maar ook omdat haar werk een type sociologie representeert met minder status. Zoals studentes vaker de minder harde benaderingen kiezen in hun vak, zo staan de `Founding Sisters' ook vaker een meer interpretatieve sociologie voor dan de Founding Fathers.

In Nederland is Martineau nauwelijks bekend. Mart-Jan de Jong van de Erasmus Universiteit, auteur van Grootmeesters van de Sociologie (1997), is zich bewust van een zekere spanning in het sociologie-onderwijs, waar de meerderheid van de studenten sociologie vrouw is, de meeste docenten man en alle sociologen in de boeken eveneens man. De Jong krijgt dikwijls de vraag of er geen klassieke vrouwelijke sociologen zijn, maar heeft dan niet direct een alternatief. Hij was onbekend met Martineau. Johan Heilbron, ex-Universiteit van Amsterdam en nu verbonden aan de Universiteit van Lille, is alleen bekend met Martineau als vertaalster van Comte. Heilbron, bekend om zijn onderzoek naar de geschiedenis van de Franse sociologie, beschouwt de grotere belangstelling voor vrouwelijke sociologen als onderdeel van een groeiende belangstelling voor de geschiedenis van de sociale wetenschappen. De canon past zich daarmee voortdurend aan, hoewel de samenstelling van de harde kern van Marx, Weber en Durkheim nog opvallend weinig verandert.

Op Internet is veel informatie over Martineau te vinden, onder meer op de `Dead sociologists' home page': http://staff.uwsuper.edu/hps/mball/dead_soc.htm