De overheid mag vragen stellen

Het enige dat moet tellen is kwaliteit. Elk ander criterium bij de beoordeling van kunst en de subsidiëring ervan, tast de essentie van de kunst aan. Dat is de kern van het kritische kabaal dat in de kunstwereld is ontstaan naar aanleiding van de uitgangspuntennota van staatssecretaris Van der Ploeg over zijn cultuurplannen voor de jaren 2000-2004. Ik denk echter dat hij het hiermee volledig eens kan zijn en dat de commotie onnodig is en is terug te voeren op de onduidelijkheid rond het begrip ,,kwaliteit.'' De ene partij hanteert het subjectief en de andere wil er althans enige objectiviteit aan proberen te geven. Beide hebben vanuit hun eigen optiek en verantwoordelijkheid gelijk.

Iemand die een kunstcollectie opbouwt en zich daarbij laat adviseren door een ander zei me desgevraagd: ,,Zij ziet meteen of iets kwaliteit heeft en daar vaar ik blind op.'' Subjectiever kan het niet en is op zijn plaats als het om een privé aangelegenheid gaat. Wanneer het echter de samenleving en dus gemeenschapsgeld betreft kom je met zo'n allerindividueelste impressie niet ver. Voor de besteding van algemene middelen heeft een bewindspersoon meer legitimering nodig.

Eerste vraag daarbij is of de kunsten van wezenlijk belang zijn voor een samenleving en haar burgers. Het antwoord is ,,ja''. Begin dit jaar schreef Anna Tilroe in deze krant: ,,Het geloof in het vermogen van kunst om voorstellingen te maken van dat waarvan nog geen beelden zijn.'' Als in een land dat geloof breed en diep wordt beleden is het er beter leven dan wanneer de kunst zich stil moet houden. In die betekenis is kunst de tweelingbroer van vrijheid. Vrijheid van ideeën en scheppingen. De kans op ,,nieuwe beelden en voorstellingen'' is daar het grootst, want die ontstaan bij confrontatie tussen het bestaande en het andere. In een heterogene samenleving zijn daarvoor meer mogelijkheden.

Ik ben het dan ook niet eens met Elsbeth Etty die vorige week in haar column schreef dat de staatssecretaris door zijn beleidsnotitie de titel Cultuur als Confrontatie te geven in oorlogstermen denkt. In dit verband betekent confrontatie veeleer ,,weerstand'' in de zin zoals door Freud gebruikt: zoals in de materie geen vorm ontstaat zonder weerstand, zo komt het in de mens niet tot bewustzijn, laat staan tot ideeënrijkdom zonder dat behoeften stuiten op de begrenzingen van wat op het eerste gezicht onmogelijk en onbekend is.

In een vrije, pluriforme samenleving kunnen de kunsten bloeien door de onophoudelijke confrontatie tussen het bestaande en het onbekende en zo tot inspiratie zijn voor de belevingswereld van kunstenaars. Dat is niet terug te voeren op een geloof in de maakbaarheid van een samenleving als wel op het scheppen van een leefklimaat en op de hoop dat dat de kwaliteit van leven voor iedereen verhoogt.

Het begrip ,,kwaliteit'' is hierbij echter te abstract om bruikbaar te zijn voor beoordeling van afzonderlijke kunstactiviteiten of -objecten. De Raad voor Cultuur heeft dan ook op verzoek van de staatssecretaris geprobeerd een stap te zetten naar concretisering. Als de kunsten van vitaal belang zijn, dan moeten kunstbeoefenaren en kunstondersteuners kennelijk een aantal functies vervullen. Ze moeten het bestaande dat van waarde is gebleken koesteren en behouden. Ze moeten experimenteren en zoeken naar ,,nieuwe beelden en voorstellingen.'' En ze moeten zo veel mogelijk niet-kunstenaars laten delen in het plezier, het esthetisch genot of de emotionele indringendheid van wat is voortgebracht. Er is wel meer te noemen, maar dit lijkt me de kern. Traditie, avant garde en publiek, deze drie en geen van deze is de meeste.

Het voordeel van deze concretisering is dat kwaliteit niet, maar functie wel te operationaliseren is, om te zetten in activiteiten. Gezelschappen, orkesten en kunstinstellingen kunnen kiezen in welke functie(s) zij zich willen profileren en welke activiteiten zij daartoe willen ondernemen. De overheid mengt zich daar uiteraard niet in. Kwaliteit is dan in welke mate achteraf blijkt dat met de concrete programmering de zelfgekozen functies werden vervuld. Ook met die beoordeling hoort de overheid zich niet te bemoeien. Daarvoor bestaan speciale gremia.

Wat wel tot haar taak hoort is vooraf te bekijken of alle functies wel in redelijke spreiding een plaats krijgen. Natuurlijk blijven er plekken waar de kunsten zich concentreren en natuurlijk blijft er een elite. De overheid is echter ook verantwoordelijk voor de regio en de bredere lagen van de bevolking. De staatssecretaris is van mening dat minder jongeren, allochtonen, en bewoners van oude wijken zowel als van het platteland van het kunstaanbod profiteren dan potentieel mogelijk zou zijn. Vandaar zijn opdracht aan alle subsidianten: gebruik drie procent van uw subsidie om zo veel mogelijk van hen erbij te halen. Verzin iets. Dat mag een overheid vragen. Zij mag niet zeggen hoe of waarmee. En dat doet de staatssecretaris dan ook niet.

Tijdens het Holland Festival werd hij door de Nederlandse Opera op zijn wenken bediend met de Ring van Wagner voor iedereen in het Oosterpark. ,,Het wordt druk daar'', zei de tramconducteur bij wie we de strippenkaart lieten stempelen en de halte noemden. En dat was het ook. En met een totaal ander publiek dan ik tijdens de abonnementsvoorstellingen in het Muziektheater om me heen zie. De kwaliteit van de voorstelling was ook anders, alleen al doordat de eerste uren de zon op het scherm scheen. Maar de kwaliteit gemeten naar functie - plezier door kunst voor nieuw publiek – was uitstekend.