De cultuur is overal

De schrijver Herman Franke heeft zich met zijn pleidooi voor een cultureel reveil opgeworpen als woordvoerder van de elitekunst, vindt Serge van Duijnhoven die ervoor pleit de sluisdeuren af en toe flink open te gooien.

De supermarkt-welvaart heeft het gewone volk geen goed gedaan, stelt Herman Franke in zijn pleidooi voor een cultureel reveil (NRC Handeslblad, 16 juni). En het betere volk al helemaal niet. Zelfs de lezers van deze krant kijken tegenwoordig en masse naar het Songfestival en bezondigen zich aan de mierzoete melk & honingromances van Veronica. Geen enkele film bvan de VPRO haalde het afgelopen jaar de top tachtig der best bekeken speelfilms. De lage landen dreigen ten onder te gaan aan platvloersheid, want ,,wie van de Nederlanders van beneden de dertig weet nog iets van de geschiedenis van de literatuur, filosofie, muziek, beeldende kunst of van de culturele wordingsgeschiedenis in het algemeen'', vraagt hij zich af.

Franke springt op de bres voor het beklagenswaardige lot van de elitekunst in ons land die volkomen dreigt te worden platgewalst door de wansmaak van de cultuurloze massa. Er moet zand worden afgegraven, vindt hij, de elitekunst moet zo spoedig mogelijk van de massacultuur worden gescheiden voor het te laat is. Terug naar de standenmaatschappij.

Waar Franke aan voorbijgaat (hoewel hij er zelf een sprekend voorbeeld van is), dat is dat iedere elite een onverdraagzame hegemonie vereist. De grote motivatie van iedere verheven kaste is de angst uit het zadel te worden gelicht. De wapenstok waarmee zo'n elite zich handhaaft is de intolerantie. Consensus mag er alleen zijn binnen de poorten. Voor de buitenwereld moet iedere voorvechter van elitekunst galopperen in opdracht van `het mooie en het schone'. Of van `het echte, het grote, het waarachtige' of in naam van elk ander achterlijk conservatief vaandel.

Als Frankes boze drie-eenheid die onze cultuur bedreigt (vulgarisering, trivialisering en verplatting) wordt gesubstitueerd door het overkoepelende begrip `Entartung', wordt de ware aard van zijn bespottelijke betoog plotseling blootgelegd.

Zelden heb ik zulke misselijkmakende, gevaarlijke nonsens gelezen als die van deze woordvoerder der elitekunst. Wie denkt deze zurige schriftgeleerde dat hij is, door `de massa' zó over één kam te scheren? Droogstoppel, De Majesteit, Koningin Marie Antoinette?

Het volk heeft honger, laat het koekjes eten!

Het plebs verzuipt in vulgariteit, wel werp het onze luxe pralines toe!

Hoe ver van de realiteit staat deze mandarijn om de term genocide zonder enige scrupules te misbruiken voor een schijnprobleem, terwijl op hetzelfde moment twee miljoen Albanese Kosovaren op de Balkan werkelijk de gevolgen ervan ondervinden?

Moeten we Frankes pleidooi, waarin hij zich op zulke onpasselijke wijze overschreeuwt, nog serieus nemen? De auteur zou graag hebben van wel. De toon van Franke is die van de bittere ernst, en dat doet het ergste vermoeden voor wanneer niet de democratisch verkozen `orthodox-socialist' Van der Ploeg het voor het zeggen zou hebben, maar deze zelfgeridderde Junker.

Wanneer geen bruggen worden geslagen, dan zullen de mandarijnen zich steeds verder terugtrekken in hun bastions. De elite zal steeds kleiner worden, en steeds verder afdrijven van de massa waar het niet alleen geen snars van begrijpt maar ook doodsbang voor is. Wat Franke niet snapt, is dat hij met zijn pleidooi voor het opwerpen van een dam in feite zijn eigen doodvonnis tekent. Hoe ontoegankelijker de kunstwereld wordt, hoe minder mensen er kennis van zullen nemen en erin zullen participeren. Het wereldje dat hij zo krampachtig beschermt zal uitsterven en aan inteelt ten onder gaan.

Vanwaar toch die angst, dat dédain jegens alles wat niet zweemt naar het traditionele, het verhevene? Is het teveel gevraagd de sluisdeuren af en toe flink te openen zodat de boel kan doorstromen? Ik wantrouw degenen die de sluizen dicht willen houden. Die vinden dat het volk moet buigen in plaats van participeren. De cultuur is overal, zeker niet alleen in de sacrale schemering van de tempels en hoven waar de elite zetelt. De cultuur heeft geen thuis. Het huis is zij zelf. Zij zal zichzelf blijven, door de eeuwen heen, en ze zal dubbel wraak nemen op iedereen die haar beperkingen oplegt, die haar af wil schermen en die dammen op wil werpen, haar niet wil bevrijden maar de hals snoeren.

We leven in een wereld waarin de mensen vrij zijn om zelf te bepalen wat relevant voor hen is. Dit is geen privilege, maar een essentieel recht. Dat dit betekent dat de high brow art niet voor iedereen de heilige status geniet die het vroeger bezat, is een prijs die de elite moet betalen voor de democratie. Wie daartoe niet bereid is, is de democratie niet waard.

Serge van Duijnhoven is schrijver.