AMERIKAANSE KRAAIEN DROPPEN HUN NOTEN OP EEN CORRECTE WIJZE

Talloze vogelsoorten breken een prooi met een hard omhulsel door die van aanzienlijke hoogte te laten vallen. Meeuwen doen dat met mosselen, waarbij je jonge dieren soms lang ziet modderen voordat ze doorhebben dat ze het asfaltweggetje, en niet het strand of het weiland als ondergrond moeten kiezen. Het meest dramatisch vertonen steenarenden dit betere gooi- en smijtwerk: met schildpadden die ze op de rotsen stuk laten vallen, soms na herhaalde worpen. Afgezien van het soms herhaald weer de prooi moeten pakken, hoogte winnen en opnieuw mikken, lijkt het makkelijk en weinig inspannend gedrag. Maar vaak moet de vogel ervoor zorgen, dat hij na de worp haast net zo snel beneden is als het projectiel. Er zijn dan kapers op de kust, die snel profiteren wanneer een soortgenoot zomaar een prooi uit zijn klauwen laat vallen.

Dit intrigerende prooibewerkings-principe is nu uitgebreid bestudeerd in theorie en praktijk. Amerikaanse zoölogen waagden zich aan de te voorspellen achtergronden en elementen van dit gedrag. Dit als voorwerk voor effectief praktisch onderzoek. Want een simpel te meten eenheid de gekozen valhoogte kan beïnvloed worden door een brede variatie aan karakteristieken van de prooi, zoals het gewicht en de breekbaarheid, en van de sociale omgeving. Is de vogel alleen of wordt hij omgeven door tot diefstal neigende profiteurs, ofwel kleptoparasieten? Met enig aplomb geven de auteurs Switzer en Cristol aan dat zij met de eerste modelmatige en dynamische benadering van dit gewichtige onderwerp op de proppen zijn gekomen: een theoretisch raamwerk voor vogel-voedseldropping systemen, dat recht doet aan de variatie aan breekbaarheid van prooi en betrouwbaarheid van de omgeving (Behavioral Ecology, 10/3, blz. 213-219 en 220-226).

Zowel kwantitatieve als kwalitatieve verschillen daarin zouden een belangrijk effect moeten hebben op de hoogte en het patroon van het werpen. Tot zover mooi. Maar hoe ziet de praktijk eruit? Die volgt de theorie erg netjes, tenminste in het geval van Amerikaanse kraaien. In een aparte publicatie gaan dezelfde onderzoekers op die hun praktijken in. In steden levende Amerikaanse kraaien (Corvus brachyrhynchos), die sterk lijken op onze zwarte kraaien, maken in centraal Californië twee soorten walnoten toegankelijk als voedselbron door ze kapot te gooien. Als voorspeld door het theoretische model, lieten de kraaien noten met hardere omhulsels van grotere hoogte vallen. Ook als de ondergrond wat zachter was zochten ze een grotere hoogte op. Maar de geselecteerde hoogte voor het laten vallen van noten nam weer af in de aanwezigheid van veel nabije soortgenoten de kraaien hadden duidelijk oog voor potentiële kleptoparasieten onder eigen volk.

Erg mooi is dat de valhoogte ook afneemt bij de soms herhaalde droppings van eenzelfde walnoot. Het suggereert dat de kraaien handelen naar de toegenomen waarschijnlijkheid dat een meermalen geworpen noot bij een volgende worp nu toch wel op breken moet staan.

Op één onderdeel delen de kraaien de wetenschappelijke theoretische inzichten niet. Verschillen in prooimassa maakten voor de gekozen valhoogten niet uit. Maar, geconfronteerd met verscheidene prooitypen en soorten ondergrond en vele pogingen tot het afhandig maken van de prooi, kozen kraaien de best denkbare oplossing voor het verenigen van diefstalpreventie en hoge energiewinst per noot. Anders dan die jonge meeuw met de mossel, die het maar eindeloos probeert, meer energie verbrandt dan welk schaaldier dan ook kan bieden, en, als het dan eindelijk lukt, een ander met zijn prooitje weg ziet vliegen. Voedselwerpen is complex gedrag.

(Frans van der Helm)