1918: een staat, maar niet voor de Kosovaren

De intocht van KFOR in Kosovo en de teloorgang van het Servische gezag is een nieuw hoofdstuk in de lange geschiedenis van de regio en de relaties tussen Serviërs en Albanezen. De geschiedenis van Kosovo, Servië en Albanië in acht delen. Vandaag het vierde deel, de periode 1914-1941.

De Eerste Wereldoorlog was voorgeprogrammeerd, niet alleen waar het de grote mogendheden betreft, ook op de Balkan. Frustraties alom, na de Balkanoorlogen: Bulgarije was zijn hoofdprijs Macedonië misgelopen. Roemenië aasde op Transsylvanië (Hongaars bezit) en Servië had Kosovo binnengehaald, maar was zijn uitweg naar de Adriatische Zee, via Albanië, misgelopen.

Albanië was als nieuwe staat erkend, maar de grenzen lagen niet vast en dat wakkerde de Servische eetlust nog aan. Bovendien was daar nog Bosnië, in 1908 door het Habsburgse Rijk geannexeerd, met zijn Servische minderheid, en had het verlangen naar de vereniging van alle Zuid-Slaven terrein gewonnen onder de Serviërs en de onder Habsburgse heerschappij levende Kroaten en Slovenen. Oostenrijk van zijn kant wilde Servië dolgraag een lesje leren: het werd veel te sterk op de Balkan.

De schoten waarmee de Serviër Gavrilo Princip in 1914 in Sarajevo de Oostenrijkse aartshertog Franz Ferdinand vermoordde, gaven Wenen zijn kans. Men wist dat de moord niet in Belgrado was gepland, maar dat was bijzaak. Servië werd een onmogelijk ultimatum gepresenteerd en de oorlog brak uit.

Een jaar lang kon Servië de Oostenrijkers buiten de deur houden, maar toen eind 1915 de Duitsers zich met de Balkan begonnen te bemoeien en bovendien de Bulgaren in de flank aanvielen, stortte het Servische verzet in. Het gedecimeerde Servische leger begon aan een barre aftocht via Albanië naar de Adriatische Zee en Korfoe – een bron van latere legenden. Honderdduizend Serviërs en Montenegrijnen stierven en koning Peter moest per draagbaar de bergen over worden gedragen. Maar een jaar later stond het leger weer op het Balkan-vasteland en toen waren het de Oostenrijkers, Bulgaren en Turken die instortten.

In 1917 bereikten de Serviërs, Kroaten en Slovenen op Korfoe een akkoord over de stichting van een nieuwe staat, die in 1918 werd uitgeroepen onder de Servische Karadjordjevic-dynastie. Albanië liepen de Serviërs opnieuw mis, door het verzet van Italië, dat de Adriatische Zee als zijn eigen domein beschouwde en Albanië als zijn bruggenhoofd op de Balkan. De nieuwe Zuid-Slavische staat werd van meet af aan gedomineerd door de Serviërs, in casu hun staatsman Nikola Pašic, de man die met uitspraken als ,,een gram macht weegt meer dan een pond hersens' en ,,een centimeter macht is langer dan een kilometer recht' de geschiedenis is ingegaan. Voor de Serviërs was een droom werkelijkheid geworden: alle Serviërs, inclusief die in Bosnië, Kosovo en Kroatië, en inclusief het broedervolk van de Montenegrijnen, woonden in één staat. De Kroaten echter voelden zich al gauw door de Serviërs benard en al vanaf 1922 werd het nieuwe koninkrijk gedomineerd door de tegenstellingen tussen deze twee volkeren – dezelfde tegenstellingen die in 1991 tot de ondergang van de staat zouden leiden. De conflicten liepen al in de jaren twintig zo hoog op dat in 1929 Peters opvolger, koning Alexander, de dictatuur uitriep.

De Albanezen telden niet in het nieuwe Joegoslavië – letterlijk. In 1918 woonden er officieel 400.000, in werkelijkheid 700.000 Albanezen in het land, maar ze kregen niet de status van nationale minderheid: ze stonden te boek als Albanees-sprekende Serviërs, en mochten er geen eigen scholen en media op na houden. De Kosovaren werden gezien als collaborateurs van de gehate Turken. Ze werden het doelwit van een agressief discriminatiebeleid. Velen werden onteigend en verdreven. Alleen al in de eerste twee maanden van 1919 werden 6000 Kosovaren vermoord. Tegelijkerijd werd Kosovo op grote schaal door Serviërs gekoloniseerd. De Serviërs werden gelokt met belastingvrijheid, vrij vervoer en spotgoedkope grond. In tien jaar steeg het percentage Serviërs in Kosovo van 24 tot 38 procent. Een guerrilla-achtige opstand van Albanese rebellen — raçaks — werd beantwoord met méér geweld, deportaties en onteigeningen. Het hoogtepunt van die vervolging kwam in de jaren dertig, toen Servische nationalisten pleitten voor de kunstmatige schepping van een meerderheid van Serviërs in Kosovo, waartoe 300.000 Albanezen moesten worden verdreven en 470.000 Serviërs moesten worden aangelokt. De Tweede Wereldoorlog voorkwam realisering van die plannen, maar tot 1941 emigreerden 90.000 tot 150.000 Kosovaren naar Turkije en het is geen wonder dat de Kosovaren de Italiaans-Duitse bezetting in 1941 als een bevrijding ervoeren.

Van het nieuwe Albanië konden de Kosovaren in de jaren twintig en dertig niets verwachten. Dat land stelde als nieuwe natie niets voor. Het wàs geen natie, maar een land van straatarme ongeletterden – in de jaren twintig waren er maar twee middelbare scholen in het land –, van gewapende bergstammen die zwoeren bij oude codes, elkaar wantrouwden en elk centraal gezag zagen als een inbreuk op oude rechten. Een land van wetteloosheid en anarchie. Albanië werd bovendien voortdurend bedreigd door Belgrado, dat benden betaalde voor invallen in het noordelijke grensgebied. Alleen al in juni 1920 brandden zulke benden in Albanië 157 dorpen plat. In 1922, toen Albanië na tien jaar (burger)oorlog geheel bankroet was, werd een van die stamhoofden, Ahmed Zog, premier van Albanië. Hij werd in 1924 verdreven en vluchtte naar Joegoslavië, dat hem in 1925 weer aan de macht hielp in ruil voor de opgave van elke Albanese aanspraak op Kosovo – een concessie die de Kosovaren hem tot op de dag van vandaag niet hebben vergeven. Zogs Albanië stond onder `bescherming' van Italië, dat zijn greep op de zwakke economie en het politieke leven snel uitbreidde. Nadat Zog in 1925 president was geworden en zich in 1928 tot koning had uitgeroepen, raakte hij steeds meer in Italiaans vaarwater, tot Albanië in de jaren dertig een economische kolonie van Italië was geworden. Op 7 april 1939 vielen de Italianen het land binnen. Ze veroverden het in één dag. Zog vluchtte (met zijn zoon Leka, nu troonpretendent), om nooit terug te keren. Koning Victor Emanuel III van Italië werd koning van Albanië.