1389: Een Balkan zonder grenzen

Israel, Zuid-Afrika, Noord-Ierland, Chili, Oost-Europa, en nu ook Kosovo. De slachtoffers van onder- drukking en repressie moeten weer leven met de daders, hun buren. Albanezen en Serviërs in Kosovo over schuld, boete en vergeving.

Djakovica

Radka Dašic (56) had 's ochtends koffie gedronken bij een vriendin. Om kwart voor twaalf ging ze naar huis om de boiler aan te zetten, ze wilde in bad die avond. Bij de voordeur merkte ze dat er iets niet klopte. Het slot was kapot, en over haar naambordje was een briefje geplakt met een andere naam erop. Een Albanese naam: Fatmire Axhanela.

Ruim een week geleden trokken de Servische militairen en politie-eenheden zich terug uit Kosovo. De meeste Servische burgers uit Djakovica vluchtten achter hen aan naar Servië, uit angst voor de wraak van de Albanezen. Ook Radka's zoon, schoondochter en kleinzoon waren vertrokken. Radka, lang geleden gescheiden van haar man, woonde nu alleen in haar flat.

Het huis van Fatmire Axhanela (43) – weduwe, drie kinderen – werd tweeëneenhalve maand geleden door Servische paramilitairen in brand gestoken. Ook het huis van haar vader brandde af. De man was blind en hij kon niet lopen, hij kwam om in het vuur. Fatmire vluchtte met haar kinderen naar Albanië. Deze week kwam ze terug, maar een huis had ze niet. Soldaten van het Kosovo Bevrijdingsleger UÇK brachten haar vanochtend vroeg naar de flat van Radka Dašic.

In de gang van het flatgebouw rennen Albanese kinderen achter elkaar aan met speelgoedpistolen, ze roepen: ,,UÇK, UÇK'. Binnen zitten Fatmire Axhanela en Radka Dašic naast elkaar op twee stoelen, ze kijken elkaar niet aan. Ze waren collega's in de textielfabriek van Djakovica, maar ze hadden elkaar nooit eerder gesproken.

Radka huilt, ze krast met een pen strepen op haar blauwgebloemde rok. Fatmire houdt haar handen tussen haar benen geklemd. Ze zegt: ,,Ik vind dit heel erg, ik schaam me. Maar ik heb drie kinderen, het regent bijna iedere nacht. Waar moet ik heen?'

Radka: ,,En waar moet ík heen?'

Fatmire: ,,Vijftien Servische militairen staken mijn huis in brand. Ik heb niets meer.'

Radka zegt niets, ze krast op haar rok. Fatmire praat door: ,,Ik wilde deze flat niet, maar ik weet geen oplossing. Als iemand een andere flat voor me vindt, ben ik weg.'

Opeens richt Radka zich tot Fatmire: ,,Ik verwijt het jou ook niet, het UÇK is de schuld hiervan.'

Fatmire kijkt haar aan, ze huilt nu ook. ,,Ja', zegt ze, ,,het waren UÇK-soldaten die de deur hebben opengebroken.'

Maar het waren Servische militairen die haar huis in brand staken. Radka knikt, ze aarzelt. ,,Ik weet niet precies wat Servische militairen hebben gedaan. Het is slecht en verkeerd om huizen in brand te steken.'

Even lijkt de spanning weg. Radka gaat door: ,,Misschien is het wel waar dat Servische militairen de schuld zijn van deze situatie. Maar het UÇK heeft ook vreselijke dingen gedaan. En wij zijn het slachtoffer.' Nu knikt Fatmire, ze kijkt dankbaar naar Radka. Dit lijkt de oplossing: dat geen van beiden schuldig is.

Opeens ontdekt Radka dat haar schaakdiploma van de muur verdwenen is. Radka was jarenlang nummer drie op de schaak-ranglijst in Kosovo. ,,Heb je dat weggegooid', vraagt ze.

,,Nee, nee', zegt Fatmire, ,,het ligt nog wel ergens.'

,,Mag ik het zien?'

Fatmire is even stil, dan zegt ze: ,,De UÇK-soldaten hebben het van de muur gescheurd. Ze zeiden dat ik het moest opvegen, zij hebben de vuilniszak meegenomen.'

Radka schudt haar hoofd, ze is woedend: ,,Dat doe je toch niet.' Nu ontdekt ze ook dat de kalender met prenten van orthodoxe kerken weg is. Fatmire: ,,Ik zei nog tegen de soldaten: doe dat nou niet. Maar ze zeiden: houd je mond, je verdedigt de mensen die je huis in brand hebben gestoken.'

Radka zucht diep, ze zegt: ,,Ik zou heel graag willen dat we weer samen konden leven met Albanezen. Ik denk ook dat het wel kan. Maar dan moeten alle Serviërs terugkomen die nu weg zijn. Ik wil hier niet alleen overblijven.'

Of Fatmire ook denkt dat het op een dag weer kan, met Serviërs samenleven in Kosovo? Ze haalt haar schouders op. ,,Ik weet het niet.' Radka loopt nog één keer door het huis. Ze staat een paar minuten op het balkon en kijkt naar de straat waar ze vijftien jaar woonde. Ze pakt een teddybeer van haar kleinzoon en een radio. Ze huilt weer. Fatmire loopt met haar mee naar de deur. Radka geeft haar geen hand. Ze kijkt Fatmire aan en zegt: ,,Natën e mirë.' Goedenavond, in het Albanees.

Vannacht slaapt ze in de orthodoxe kerk. Morgen vertrekt ze, ze gaat naar haar zoon in Montenegro.

Dubnica

Bsokol Qerimi (41 jaar) is leraar Albanees in Dubnica, een gehucht in Noord-Kosovo op ongeveer drie kilometer afstand van de grens met Joegoslavië. Met zijn zachtgroene ogen en lange zwarte baard lijkt hij de vriendelijke versie van Raspoetin. Qerimi is getrouwd, heeft vijf kinderen en woont samen met zijn broer en zijn gezin even buiten het dorp; de andere dorpsbewoners noemen hem `de wijze'.

Met ruwhouten planken hebben de broers een schutting gemaakt die hun erf afschermt van de landerijen die eraan grenzen. Buiten de omheining glooiend landschap met granen en gras; binnen fruitbomen, loslopende kippen, spelende kinderen en een paar roodbonte koeien.

Bij de terugtocht naar Servië hebben Servische militairen zijn huis een paar weken geleden kapotgeschoten en in brand gestoken. Alleen een zwartgeblakerde zijmuur staat nog. ,,Tactiek van de verschroeide aarde', zegt Qerimi, ,,geleerd van de Russen.' Hij wandelt naar een opening in de omheining. ,,Kijk, dat zijn nog de sporen van de tanks.' In de modder is de brede geribbelde afdruk nog te zien die tanks achterlaten. ,,Een pantservoertuig zat vast, die hebben ze eruit moeten trekken.' Qerimi laat een vuistdikke staalkabel zien die de Serviërs hebben achtergelaten. ,,Die bewaar ik, kan ik iedereen tonen hoe de Serviërs ons de ellende in hebben getrokken.'

Bijna tachtig dagen lang schuilde hij met zijn gezin in het huis van zijn broer. Het staat naast zijn eigen huis en het is, zoals veel huizen in Kosovo, nog niet volledig afgebouwd. Ze sliepen op zolder, via een gat in de buitenmuur klommen ze vanaf het balkon naar binnen. Daarna trokken ze de ladder naar binnen. ,,Soms liepen er Serviërs een paar meter onder ons. Gelukkig had mijn broer nog niet genoeg geld om een trap naar de zolder te maken; dat is onze redding geweest.'

Hij laat de schuilplaats zien – een lage ruimte van nog geen meter en in een hoek liggen een paar matrassen – en loopt dan weer naar buiten. Hij plukt kleine, witgele vruchten van de boom en gaat zitten op een paar kussens in het gras. ,,Ik kan met elk volk samenleven, maar niet met een volk dat zoveel misdaden heeft begaan. De wereld heeft het met eigen ogen kunnen zien. In Dubnica leefde een Servisch gezin, ze hebben zich niet schuldig gemaakt aan wreedheden, maar toch zijn ze vertrokken. Ze waren bang.' Wat Qerimi betreft hadden ze niet hoeven te vertrekken en hij zal ze ,,met open armen' ontvangen wanneer ze weer terug zouden komen. ,,Ik geloof niet in haat jegens onschuldigen, haat jegens moordenaars is niet te vermijden.'

Zijn volk, zegt hij, heeft veel geleden. ,,Niet alleen achtenzeventig dagen van de NAVO-bombardementen, maar de afgelopen tien jaar. De Serviërs hadden de macht en die hebben ze misbruikt om het Albanese volk te kleineren.'

Het leven begint voor Qerimi van voren af aan. ,,We moeten alles weer opbouwen. Mijn huis en de school liggen in de as. Mijn huisraad is vernield. De kleren die mijn vrouw, de kinderen en ik dragen is het enige wat we hebben. We beginnen bij nul. Maar we hebben elkaar en we hebben de vrede.'

De NAVO moet volgens hem blijven totdat Kosovo ,,een onafhankelijke, echt democratische staat is. Dan hebben Albanezen en Serviërs gelijke rechten en plichten en hopelijk is dat een basis om vreedzaam samen te leven.' En de grenzen tussen de landen van de Balkan ,,moeten weg'. ,,In de landen van de Europese Unie zijn de grenzen ook weg, dat moet ook hier gebeuren. Ik geloof niet in een Groot-Albanië als een staat. Vroeger wel, maar in een Balkan zonder grenzen heb je geen nieuw land nodig.'

Prepolac

John Ryle (42) is Brits militair. Hij bewaakt de grens tussen Kosovo en Joegoslavië bij het plaatsje Prepolac. Ryle heeft een grote, rossige hangsnor en felblauwe ogen. ,,Ik kom uit Belfast en heb ook in Noord-Ierland gediend. Wat hier in Kosovo is gebeurd, zou ook in Noord-Ierland zijn gebeurd als het leger niet had opgetreden. De katholieken en protestanten haten elkaar net zo diep als de Albanezen en de Serviërs. Ik zie dezelfde haat en afschuw in de ogen. Of ben ik nu te somber?'

Hij biedt een sigaret aan, steekt er zelf een op, inhaleert diep en kijkt richting Joegoslavië. ,,Bevolkingsgroepen moeten elkaar leren vertrouwen. Ze moeten respect voor elkaar hebben. Een ander geloof kan nooit een reden zijn om iemand de hersens in te slaan. Ik ben protestant, maar heb evenveel katholieke als protestantse vrienden. Er bestaat toch zoiets als evolutie. Maar als haat zich heeft geworteld in mensen, duurt het lang, soms generaties lang, voordat die haat verdwenen is; dat zie ik thuis.'

Uroševac

Als kluizenaars hebben Mevlide Hamiti (39) en haar man Rexhep de weken voor het vredesakkoord geleefd in hun woonplaats. Een zoon bij het Kosovo Bevrijdingsleger, de drie anderen in een vluchtelingenkamp in Macedonië.

Rexhep wilde zijn bezit zo lang mogelijk verdedigen, ,,hoewel ik ook wel weet dat ik niets begin wanneer ze een granaat naar binnen gooien of het huis in brand steken'. Zijn vrouw Mevlide wilde bij haar UÇK-zoon blijven. ,,Weggaan betekende ook hem in de steek laten. Nu kwam hij af en toe eten.'

Mevlide en Rexhep sliepen in een kleine schuilkelder onder het huis; via een luik lieten ze zich in de bedompte ruimte zakken waar net genoeg ruimte is voor twee mensen. Overdag scharrelden ze in het huis, kropen soms door de omheining die om hun huis en alle andere huizen in de buurt staan om bij buren op bezoek te gaan, maar wanneer ze het gebrul en geweervuur van de Servische soldaten en paramilitairen hoorden, doken ze in hun schuilkelder.

Wie op straat kwam van de stad, die voor de oorlog zo'n honderdduizend inwoners telde, was zijn leven niet veilig. Mevlide plukt aan haar rode T-shirt. ,,Als ik boodschappen deed, werd ik steeds lastig gevallen door Servische politieagenten. Die vertrouw ik mijn leven lang niet meer. In Uroševac hebben veel Servische families zich schuldig gemaakt aan wreedheden. Servische jongensbendes van acht tot tien jaar trokken door de straten. Riepen leuzen, zoals `dood aan de Albanezen', en sloegen ruiten in van Albanese winkels. Plunderden. De Servische politie greep niet in. Ze lachten erom. Ook die jongens kan ik nooit meer vertrouwen, hoe jong ze ook zijn. De generatie van mijn kleinkinderen kan misschien weer in vertrouwen met de Serviërs leven. Ik niet, en mijn vier zonen ook niet.'

Ze staat op, gaat naar het fornuis in de hoek van de kamer en maakt koffie. Even later blaast ze hard in het kleine kopje met een gouden randje. ,,De meeste Serviërs die zich hebben misdragen, zijn gevlucht. Ik heb daar veel moeite mee. Wie schuldig is, moet boete doen. Een tweeling, het moordduo van deze stad, is gelukkig door het UÇK opgepakt. Wie weet hoeveel plunderingen, brandstichtingen en moorden ze op hun geweten hebben. Op 15 juni heeft het UÇK ze overgeleverd aan de NAVO. Ik was toen heel trots op het leger van mijn zoon. Het UÇK heeft niet direct wraak genomen door voor eigen rechter te spelen en de jongens neer te schieten.'

In Uroševac woonden ook ,,goede Serviërs', constateert Mevlide. ,,Sommigen gaven Albanezen soms voedsel en waarschuwden wanneer er onheil op komst was. Gewoon goede mensen en voor hen is natuurlijk een plaats in ons land. Wij Albanezen moeten ons nooit verlagen tot het niveau van de wandaden van de Serviërs. Nooit.'

Gnjilane

,,Wij Serviërs zijn gewoon anders', zegt Anna Panovski (19) na zo'n twintig minuten. Ze draagt een zonnebril in haar zwarte haar. Getrouwd, econome bij een bank, geen kinderen (,,misschien over een paar jaar'). ,,De Albanese gezinnen tellen vijf, zes, zeven kinderen. Ik wil maximaal twee.'

Ze woont in Gnjilane; een plaats in het zuidoosten van Kosovo en relatief zwaar getroffen door de bombardementen van de NAVO. Het merendeel van de inwoners is Servisch en in de Albanese wijken zijn veel huizen verwoest. ,,Alle openstaande rekeningen zijn de afgelopen tijd vereffend', constateert Panovski. ,,Ik vind het een schande. Mensen – Albanezen en Serviërs – hebben zich als beesten gedragen. En tot slot ging de NAVO als een dolle te keer. Wat bezielt ze om onschuldige mensen zo hard aan te pakken?' Ze windt zich op. ,,En moet dezelfde NAVO ons nu beschermen? Wat hypocriet.

,,Ik vind, als twee etnische groepen niet met elkaar samen kunnen leven, moet je ze uit elkaar halen. Splits Kosovo in tweeën; de Albanezen in het westen, wij in het oosten. We hebben het al zo vaak geprobeerd, maar altijd gaat het mis. Onder Tito leek het te lukken, maar achteraf is er toen zoveel frustratie opgebouwd die nu tot explosie komt. Wij Serviërs zijn meer Westers georiënteerd, de Albanezen kijken meer naar het oosten. Die twee werelden botsen als je direct naast elkaar leeft. Andere gewoonten en rituelen. Je moet niet krampachtig twee volkeren bij elkaar houden als ze dat niet willen.' En, stel, Kosovo wordt een Albanese staat? ,,De volgende dag woon ik met mijn man in Belgrado.'

Priština

,,De Serviërs gokten op alles of niets. Het werd niets. En daarvoor zijn bijna alle Serviërs verantwoordelijk. Vergeet niet dat Slobodan Miloševic geen dictator is, hij verkondigt de stem van het volk. Alle Serviërs hebben schuld, maar niet alle Serviërs hoeven gestraft te worden. Met de schuldigen kunnen we ons verzoenen, niet met de begane misdaden.'

Veton Surroi (37) is hoofdredacteur en uitgever van het Albaneestalige dagblad Koha Ditore; de Albanees geldt als een van de meest prominente intellectuelen van zijn land. Kenner van de Balkan en de NAVO. ,,Ik denk dat de NAVO eind april bij de viering van haar vijftigste verjaardag een probleem heeft in Kosovo', zei hij op 11 november vorig jaar in een vraaggesprek met NRC Handelsblad.

Hij was nummer één op de opsporingslijst van de Serviërs. Op zijn redactie, leeggeroofd door de Serviërs, is het een komen en gaan van vrienden, bekenden en `bevrijders'. Dinsdag kwam een delegatie onder leiding van de Britse minister van Buitenlandse Zaken, Robin Cook, langs. Donderdag drukte Surroi de hand van Javier Solana, secretaris-generaal van de NAVO en opperbevelhebber Wesley Clark.

Surroi waarschuwt voor `middeleeuwse wraakacties'. ,,Albanezen moeten zich niet verlagen tot het niveau van de Serviërs. Wij pretenderen een nobel volk te zijn. Nu is het tijd om dat te bewijzen.'

Het recht moet zijn loop hebben. ,,De mensen met bloed aan hun handen kunnen hun straf natuurlijk niet ontlopen. Maar met de rest moeten we een democratische Balkan opbouwen.'

De collectieve verantwoordelijkheid van de Serviërs vind Surroi groter dan die in nazi-Duitsland. ,,Wir haben es nicht gewusst; kon in die tijd gelden. Maar nu – met al onze moderne manieren van communiceren – niet meer. Mensen die passief kijken wanneer er een misdaad wordt begaan, zijn ook schuldig. Moreel schuldig, maar zoiets als een morele straf bestaat niet. Hun straf is dat ze moreel schuldig zijn. De Serviërs zijn kortom collectief schuldig, maar we moeten ze niet collectief straffen. Hopelijk kunnen we met de generatie die na Miloševic komt een vreedzame Balkan opbouwen.'

Kosovo Polje

De locatie is roemrucht. Kosovo Polje, een stad vijf kilometer ten zuiden van Priština. In 1389 het toneel van de roemruchte Servische nederlaag tegen de Turken. Negentig procent van de inwoners is Servisch. Op een betonnen speelveld, vlakbij het station, spelen jongens voetbal. Zes tegen zeven. Het is tien minuten vijf tegen zes, want Agim (Albanees, rood trainingsjack met zwarte broek) en Stevan (Serviër, donkergroen overhemd en spijkerbroek) willen wel even praten over de oorlog. Ze zijn allebei tien jaar oud.

Stevan: ,,Nederland? Mijn vader heeft thuis een videoband met een Nederlandse voetballer.'

Agim: ,,Ja, dit heb ik wel eens gezien. Kru, Kru..'

Cruijff?

Agim: ,,Ja, zo heet ie.'

Steven: ,,Kan goed voetballen, technisch.'

De oorlog?

Stevan: ,,Het is de schuld van de Albanezen. Die zijn laf en riepen om de NAVO en die gooide ons land plat met bommen.'

Agim: ,,Omdat de Serviërs ons steeds pestten en vermoordden.'

Stevan: ,,Niet.'

Agim: ,,Wel.'

Stevan: ,,Je liegt.'

Agim: ,,Jij liegt.'

Stevan: ,,Leugenaar.'

Agim: ,,Kijk maar naar de televisie, dan zie je het zelf.'

Stevan: ,,Ach.'

Hoe erg was de oorlog?

Stevan: ,,Ik was soms bang. Als er bommen vielen, zaten we in de kelder.'

Agim: ,,Wij niet. Mijn vader zei steeds: `kom we gaan naar onze helden kijken'.'

Stevan: ,,Wat een onzin, laffe moordenaars zijn het.'

Agim: ,,Helden, en ze hebben gewonnen.'

Stevan: ,,Ach, wat heet.'

Agim: ,,Ik mocht van mijn ouders niet meer met mijn Servische vriendjes spelen. Dat vond ik vervelend.'

Stevan: ,,En ik niet meer met Albanezen.'

Agim : ,,Maar ik deed het toch.'

Stevan: ,,Ik ook.'

Ze lachen samen trots.

Zou je in een land willen met alleen Serviërs of Albanezen?

Het is een tijdje stil. De jongens kijken elkaar even aan en ontwijken daarna elkaars blikken.

Stevan: ,,Nee.'

Agim: ,,Ik ook niet. Sommige Serviërs zijn wel oké.'

Stevan: ,,Ik ken ook wel een paar Serviërs die deugen.'

Moet hard lachen om zijn eigen antwoord.

Agim: ,,Niet alle Albanezen deugen.'

Stevan: ,,Er zijn ook klote-Serviërs.'

Agim: ,,Maar er zijn wel Serviërs die vreselijke dingen hebben gedaan.'

Stevan: ,,Die Albanezen zijn er ook.'

Agim: ,,En die Serviërs moeten natuurlijk gepakt en gestraft worden.'

Stevan: ,,En die Albanezen ook.'

Wat wil je later worden?

Stevan: ,,Rijk.'

Agim: ,,Politieman, mogen we nu weer voetballen?'