Zwevende asperges

De bessen en de appels op de stillevens in de zeventiende eeuw moesten sappiger zijn dan in het echt.

Hoe stil kan een stilleven zijn? En dan gaat het over de stilte van de leegte, van het bijna niets, en de stilte van het schaarse licht en van de nooit aflatende schaduw. Er bestaan niet zo veel van die bladstille stillevens, de meeste scheppen nogal op over zichzelf. Heel af en toe kom je er een tegen, verdwaald in het Prado in Madrid, het Louvre in Parijs of dichtbij, in het Dordrechts Museum. Ze vertellen meer dan alleen maar dat ze mooi zijn. Achter het tafereel gaat een ongrijpbare boodschap schuil die zich leent voor vele invullingen. Meestal zijn ze gemaakt met dezelfde bovenwereldse toewijding als de laatmiddeleeuwse devotiestukken van verf en ivoor, waarbij de burger troost vond en uitkeek naar een hemels verblijf.

Bij de allerstilste stillevens valt nergens naar uit te kijken. Ze laten de hemel op aarde zien. Niet in de stortvloed van zilveren drinkgerei en vorstelijke jachttrofeeën, niet in het verfvuurwerk van exotische vlinders en kanarieblauwe papegaaien. Maar in het minimum van wat een mens om zich heen nodig heeft om van te leven én te genieten. In de moestuin om de hoek viel voor zo'n schilder al zoveel te oogsten dat hij jaren vooruit kon.

Zo legde de 17de-eeuwse monnik Sánchez Cotán op een dag eens een meloen en een komkommer in een diepdonkere nis neer en hij hing er aan een touwtje een kweepeer en een kool naast. Meer was er voor een stilleven niet nodig. Zijn collega Francisco de Zurbarán ging nog een stapje verder. Die componeerde niet langer in horizontalen en verticalen, zoals Sánchez, nee, net als Morandi drie eeuwen later ook zou doen, zette hij alleen wat kruikjes naast elkaar. Ze zijn als litanieën, als de verheerlijkingen van de Moeder Gods, schreef iemand. Maar wie er in deze tijd naar kijkt, troost zich met de gedachte dat juist in die eenvoud van het simpele, aardse goed de sublieme schoonheid van de schilderkunst verborgen ligt.

Terugdenkend aan die oude, Spaanse stillevens neig je er onwillekeurig toe om dit keer in het Rijksmuseum in Amsterdam op zoek te gaan naar die op bijna niets gebaseerde tevredenheid, dezelfde gewaarwording die Vincent van Gogh weet op te roepen met dat bijna lege kamertje van hem in Arles; een tafel, een bed, een stoel en een raam. Maar zoveel karigheid en kieskeurigheid is niet eerlijk. Het Rijksmuseum wil deze zomer juist de tegenhanger van dat Spaanse monnikenwerk in alle pracht ten tonele voeren: Het Hollandse Stilleven, vanaf 1550 tot 1720. Zeventig doeken van vijftig kunstenaars, vele buitenlandse bruiklenen, moesten het neusje van de zalm nog sappiger laten glinsteren dan de werkelijkheid ooit te zien gaf. Nooit meer én nooit elders zou de fabelachtige stofuitdrukking van al die materiële schakeringen – tussen de weke pastei en het breekbare Delfts wit, tussen het stugge tapijt en de barstensvolle granaatappel – met het penseel geëvenaard worden. Men suggereerde meer esthetisch realisme dan de fotograaf van nu kan afdrukken. Want de crux zat hem juist in het kunnen vervolmaken, in het zo subtiel mogelijk aandikken van de tastbare kenmerken der dingen; van brood tot bier, van dons tot dauw. Elk zintuig van de toeschouwer werd behaagd en uitgedaagd.

Tienduizenden van die stillevens zijn er in meer dan een eeuw tijd gemaakt, aanvankelijk tot ergernis van de meeste heren theoretici. Een `helderen Wijnroomer op een zwangeren Dis' was voer voor de zwakken van geest, vonden zij. Een beetje schilder hield zich niet met bloemen bezig, dat moesten die vrouwelijke amateurs maar doen, zoals Clara Peeters, Maria van Oosterwijck en Rachel Ruysch, die, zoals ze nu bewijzen, voor hun mannelijke collega niet onderdeden. Het verbeelden van `onbeweegelyke, zielelooze dingen' was iets voor kneuzen, voor hen die geen raad wisten met figuren en met de bijbelse of klassieke `gedenkwaerdichste Historien', aldus de beeldschone catalogus.

Toch kregen die `Beesten, Keuckenen en Fruyten', de `low art' voor de blijkbaar niet al te smaakbewuste burgerij, in groten getale een plaats in de keuken of boven de schoorsteen. Voor een paar tientjes kon je zo'n doekje al kopen. Maar de meest gerespecteerde schilders ontvingen veel meer. Halverwege de 17de eeuw lag de vraagprijs van hun stillevens tussen de honderd en driehonderd gulden. Een schoenlapper werkte er een jaar voor, terwijl een middenstandsgezin in Holland, het rijkste gewest van de Republiek, met nog geen zeshonderd gulden moest rondkomen.

Aaibaar

Geen enkel Spaans spoor dus in het Rijksmuseum, maar wèl het werk van een Zeeuw die zich met Sánchez Cotán kon meten. Adriaen Coorte uit Middelburg hield af en toe wat kruisbessen in de gaten, een mandje met aardbeien of een bundeltje asperges. Hij etaleerde ze elk afzonderlijk op de hoek van een forse tafel en schilderde die meer en minder rijpe bessen zo aaibaar op het papier, met hun zachtstekelige haartjes en oplichtende adertjes, dat ze zichzelf in het Rijksmuseum tot de mooiste reclamespot van de Schepping hebben uitgeroepen. Coorte plakte het velletje op een paneel van een centimeter of 15 bij 22. De volmaaktheid kon daarmee volstaan.

Gebreken waren er genoeg. Net als de asperges, elders in het Rijksmuseum, ligt het fruit niet altijd op zijn gemak. De bessen zweven soms een millimeter of wat boven het oppervlak, alsof de ondergrond te hard is voor hun kwetsbare substantie. Ook met perspectief en lichtval sjoemelde Coorte hier en daar. Niemand weet of hij net als Saenredam een en ander naar zijn hand zette om de spanning op te voeren of dat hij die facetten van het vak gewoonweg niet beheerste.

Wat doet het er eigenlijk toe. Je zou ook een moord begaan voor zijn stilleven met vijf schelpen, in bezit van een particulier uit Boston. Ze liggen er nog steeds voor het grijpen. En daar was het alle stilleven-schilders en alle kopers van die tijd nou precies om te doen. Of het nu gloedvolle vanitasstillevens waren, met glimmende schedels en opengesneden boeken, een gedekte tafel met kazen en noten, of boeketten vol rek- en strekoefeningen van rozen, irissen en blauwe lissen: wat het oog zag, moest de hand willen betasten. De dingen moesten seer eyghentlijck schijnen; schijn sonder sijn. De mate van net-echt, en liever nog, iets mooier dan echt maar toch vertrouwd, bepaalde de kwaliteit. Zoals ook de mate van exotisme, want wie zich geen nautilusschelp of zakjes kruiden kon permitteren – de ontdekkingen van verre, die via de V.O.C. de hebbedingen van de Europese welgestelden werden – kon thuis altijd nog naar hun waarachtige `portretten' kijken.

De rijk gevarieerde tentoonstelling in het Rijksmuseum, die alle stillevengenres voorschotelt – van een schemerig hoekje in de schuur tot een vlijmscherp trompe l'oeil –, is in tactiel opzicht een lust voor het oog, én een ramp voor de leden van de Dierenbescherming. Want menigmaal komen ze tegenover complete beestenslagvelden te staan met bloederige koeienkoppen, sierlijk neergevleide pauwen- en zwanenlijken, opengesneden vissenbuiken en rijgdraden vol bonte, maar dode siervogeltjes. Elk dood konijn vraagt erom tot op het kraakbeen bekeken te worden. Vleselijke sterfelijkheid in sepia-sferen, die het vernuft van de schilder moest aantonen, maar die ook gastvrijheid symboliseerde. De eigenaar van zo'n beestendoek boerde goed en wie aan tafel zat, zou het weten ook.

Herbergkeuken

De twee vroege stukken, bij het begin van de tentoonstelling, geven niet bepaald de toon van fijnzinnigheid aan die de bezoeker in de vier andere zalen te wachten staat. De Antwerpenaar Pieter Aertsen (1507-1575), de in Amsterdam werkzame `Lange Pier', stalde de provisiekamer van een soort herbergkeuken uit, en die was vet, heel vet; worsten en karkassen, makrelen en varkenspoten, bleke magen en dampende reuzel. Een groot doek als een grofstoffelijke menukaart, waarvan de moralistische betekenis, zoals vaak bij deze stillevens, nog steeds onduidelijk is. De toeschouwer kon er zelf, gezien het vlees, een seksuele betekenis aan geven, maar hij mocht er ook een hommage aan het plattelandsleven in herkennen: `men bekeek het maar'.

Meteen in de eerste, grote zaal hangen de meer ingetogen schilderijen: de banketjes, de ontbijtjes en de vanitas-stillevens. Nog steeds is ook niet helemaal helder wat nu wél of niet onder vanitas valt. Op menig doek kijkt weliswaar de dood om de hoek in de vorm van dovende kaarsen, gladde schedels en zeepbellen, maar schedels waren net zo goed collector's items voor wetenschappers en rariteitenverzamelaars. En met een dovende kaars herinnerde de schilder Pieter Steenwijck niet aan `de broosheid van 's mensen streven', maar aan de dood van admiraal Maerten Tromp, omgekomen bij de slag bij Ter Heyde.

Tegenover het boekenstilleven van Jan Lievens die wijselijk een vers broodje bij die saaie, bobbelige papierbundels neerzette, hangt een van de meest esthetische werken van deze tentoonstelling: een nautilusbeker en zilveren vaatwerk van Jan Davidsz. de Heem, destijds een van de duurste meesters. En je begrijpt dat laatste wel, want op dat nonchalant bijeengeraapte kostbare goedje, slim aangekleed met hier en daar een net zo barok krullende citroenschil en druiventak, duizelt het van de lichtvlekjes. Alsof hij met uitgekiende, goudgele splinters, net als een tennisspeler, zijn concurrenten steeds met een `ace' en nog een `ace' om de oren wilde slaan.

Al snel raak je op deze tentoonstelling verwend. Je vergeet langzaam maar zeker het handwerk, de penselen en verf op hout of linnen. En dan komt het op de originaliteit of op het raffinement van een compositie aan, alsof niet alleen het schilderen van destijds maar ook het kijken van nu tot wedstrijdelement is verheven. En dan blijkt dat het enige stilleven dat Rembrandt nogal grof neerzette, de opgehangen Dode Pauwen, vanuit het raam gadeslagen door een klein meisje, je lang niet zo aanspreekt als zo'n zelfde tafereel met dood gevogelte van Willem van Aelst, een bruikleen uit Stockholm. In het heftige blauw van het ijsvogeltje, dat samen met een puttertje bovenaan het doek bungelt, schilderde hij ook heel geraffineerd de zachte, fluwelen weitas, die op het tafelblad als ondergrond dient. De catalogus zegt het al: het is `verbluffend', een ander woord weet ik er ook niet voor te vinden. Een jachttafereel, waarbij het uitzonderlijk mooie ultramarijn als het ware de dood overschaduwt, en de kleinste trofee, dat ijsvogeltje, een liefdevolle hoofdrol toedicht.

Volgens de Franse filosoof Roland Barthes is het 17de-eeuwse, Hollandse pronkstilleven, met zijn overdaad en schittering, de voorbode geweest van de huidige, mateloze consumptiedrift, aldus de catalogus. Ook toen al was het raak, meent Barthes. Ja, het is jammer dat dit genre in Frankrijk nooit deze hoogte wist te bereiken; de 18de-eeuwse Chardin daargelaten. Veel interessanter is de opvatting die Federico Borromeo, de 17de-eeuwse aartsbisschop van Milaan, er op nahield. Die wilde 's winters in zijn palazzo lekker van bloemen genieten; en veel graag! Of die boeketten ook moesten waarschuwen tegen de kortstondigheid van dit aardse bestaan? Welnee, Borromeo keek zijn ogen uit en net als de Britse koning Karel I, bestelde hij zo het een en ander bij Jan Brueghel de Oude. Brueghels overdadige krans van vruchten, groenten en bloemen, die bijvoorbeeld een naakte godin van de landbouw inkaderen, bewezen `hoe gul en grootmoedig de glorieuze Schenker' was, schreef de aartsbisschop. Niets stond Borromeo, als rechtgeaarde Italiaan, in de weg om van die overvloed te genieten; de geur bedacht hij er zelf wel bij.

Misschien is het de vertrouwdheid met al die bloemen en de veelheid ervan op deze tentoonstelling, waardoor je eerder gaat letten op de darteldrift van de vlinders en de zeldzaamheid van de schelpen eromheen, dan op de zoveelste, baldadige papegaaientulp of pioenroos. Er ligt, inderdaad, een hemel van verschil tussen de 18de-eeuwse, complete floragids die Jan van Huysum in een vaas durfde te zetten, en het kuise boeketje dat Simon Verelst een eeuw eerder samenstelde, maar toch zoek je vergeefs naar een nog soberder voorbeeld van dat ene, bladstille bloemstilleven.

En dat zou bij uitstek Een tulp in een gendi zijn geweest, in 1637 geschilderd door Dirck van Dalen. Vorige maand is dit meesterwerkje met stille trom uit Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam vertrokken naar de erfgenamen van een Frans-joodse collectioneur Adolphe Schloss. Boijmans kreeg het van de joodse kunsthistoricus Vitale Bloch uit Den Haag, die Schloss goed gekend heeft. Op de vraag `hoe vanzelfsprekend dit geval van collectie-zuivering is', zoals Rijksmuseum-conservator Frits Scholten die eerder stelde in het blad Kunstschrift, is nog steeds geen officieel antwoord gekomen.

Dat eeuwenoude meesterwerken, zoals Van Dalens eenzame tulp, mysterieuze wegen kunnen bewandelen, blijkt ook uit het trompe l'oeil dat het Rijksmuseum, terecht, als hoogtepunt van deze tentoonstelling op zijn uitnodigingen heeft afgedrukt. Het is een Brievenbord van de Dordtenaar Samuel van Hoogstraten, een leerling van Rembrandt die aan het Weense hof van de Duitse keizer Ferdinand III diende. Pas in 1974 dook het doek voor het eerst op bij een Zwitserse handelaar. De Kunsthalle Karlsruhe sloeg meteen toe.

Arnold Houbraken vond dat collega Van Hoogstraten `zoo natuurlyk schilderde dat hy `er velen bedroog'. Houbraken had helemaal gelijk. Op een met stof beklede plank, achter twee rode, leren banden, klemde de schilder quasi-lukraak wat persoonlijke spulletjes, zoals een boekje, een pruikenkam, een gemarmerd stuk papier plus ezelsoren, een veer, een schaar en de medaille die Ferdinand III hem had geschonken. Een rumoerig allegaartje, dat wel, maar ook het summum van ingenieuze materie-schilderkunst. Zo razendknap is de schildpadden kam, het leren boekje in verf aanraakbaar gemaakt, dat het nooit meer te kopiëren of te vervalsen valt.

En toch, ondanks al die geniale misleiding, zal men op dat brievenbord sneller zijn uitgekeken dan op dat onopgesmukte druiventrosje van Adriaen Coorte of de kweepeer van Sánchez Cótan. Beiden hadden lak aan pronkzucht, grappen en illusies. Het damast, de geslepen roemer en het ivoren mes zijn in geen velden of wegen te vinden. Ze beperkten zich tot wat schamele, naakte vruchten en legden daar heel hun ziel en zaligheid in. Het is aan de kijker om hun beelden van vergankelijkheid verder zelf met zijn gedachten over onvervulde verlangens, broosheid en sterfelijkheid te larderen. En daar word je meestal stil van.

Het Nederlandse Stilleven 1550-1720, t/m 19/9 in het Rijksmuseum, Zuidvleugel, ingang Hobbemastraat, Amsterdam. Open: ma. t/m zo. 10-17 uur. Catalogus: f 65,-. Thema-avonden: bloemen 2/7, fruit 9/7, vlees & vis 16/7 en trompe l'oeil 23/7; tel. 020-6747190/191.