Vrouwenravijn

Aan de voet van het televisiegebouw ligt een buitengewoon prettig park. Gezinnen zitten er te picknicken, jonge moeders leren er hun kinderen lopen. Het heette vroeger het vrouwenravijntje, Babi Jar. Er zijn hier vermoedelijk zo'n 100.000 mensen vermoord: joden, zigeuners, partizanen, krijgsgevangenen. De Duitsers hebben later de meeste lijken weer opgegraven en verbrand – oorlogsmisdadigers weten meestal heel goed dat ze oorlogsmisdadigers zijn. Maar als je een struik plant stuit je nog altijd op botten, zeggen ze hier.

Op 29 en 30 september 1941 kregen de 34.000 joden van Kiev bevel om zich klaar te maken voor emigratie naar Palestina. In lange colonnes liepen de gezinnen door de straten, naar het joodse kerkhof bij Babi Jar. Toen ze onraad voelden was het al te laat. In 1944 schreef Ilja Ehrenburg over deze moordpartij, maar daarna begon het grote zwijgen. In 1947 en 1948, op het hoogtepunt van Stalins antisemitisme, was zelfs het woord Babi Jar verboden. Eind jaren vijftig besloot het stadsbestuur van Kiev het joodse kerkhof op te ruimen en er een groot sportpark annex televisiecomplex van te maken. Jevgeni Jevtoesjenko maakte een protestgedicht, en werd prompt veroordeeld. Pas in de jaren tachtig durfde hier op de 29e september een handvol mensen samen te komen, een herdenking die nu officieel is. Een joods monument kwam pas in 1991. In een hoekje van het park vind ik tussen de struiken nog een paar losse grafstenen, misschien een stuk of tien, zwaar beschadigd, niet meer de moeite waard om weg te halen. Nog één naam is leesbaar: Samuel Richter.