Verslaafd aan onderzoek

`Vriendelijk ogende huisvrouw wint de Nobelprijs voor een bijzonder on-huishoudelijke prestatie: de structuren van chemisch belangrijke kristallen.' Aldus karakteriseerde The Observer in december 1964 de toekenning van de belangrijkste wetenschappelijke onderscheiding aan Dorothy Crowfoot-Hodgkin. Een uitzonderlijke prestatie, hoe dan ook omdat ze de eerste Britse vrouw was die de Nobelprijs wist te winnen en tot nu toe de enige is gebleven.

Geen wonder dus dat daar speciale aandacht op werd gevestigd, al maakten de meeste kranten en tijdschriften het wel erg bont. Hodgkin werd steevast eerst als echtgenote en moeder opgevoerd, waarna verder nog even werd vermeld dat ze ook hoogleraar was in Oxford en Fellow van de Royal Society. Bovendien stond ze in het begin van de jaren zestig aan het hoofd van een onderzoeksgroep van twintig tot dertig man, zonder dat zij de universiteit ook maar één cent kostte. Dat was een gevolg van de enorme afkeer die ze had van het bewerken van het informele circuit in Oxford. Angstvallig hield ze zich buiten de `high, college, intellectual society, dinings on high tables and the great Oxford families'. Het was dus logisch dat ze voor haar onderzoeksgeld afhankelijk werd van (buitenlandse) instellingen als de Rockefeller Foundation. Ook zelf had ze lange tijd niet meer dan een tijdelijke, zelf gefinancierde positie. Pas toen ze dreigde weggekocht te worden door een andere universiteit, werd voor haar een speciale leerstoel ingesteld en kon ze pas officieel worden benoemd.

Ze schreef haar onafhankelijke karakter toe aan haar jeugd. Haar vader was een ambtenaar bij de onderwijsdienst in Egypte en Soedan. Hoewel de drie dochters Crowfoot – van wie Dorothy als oudste op 12 mei 1910 in Cairo was geboren –aanvankelijk bij hun ouders verblijven, achten die het na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog beter dat de kinderen terugkeren naar Engeland. Gedurende hun hele verdere jeugd zullen ze daarna nooit langer dan een maand onder hetzelfde dak als hun ouders wonen. Desondanks oefent vooral haar moeder een belangrijke invloed op Dorothy uit. Zij leert haar méér te willen zijn dan een passieve toeschouwer en ontwikkelt haar gevoel voor rechtvaardigheid, dat een leidraad zal blijven gedurende haar hele verdere leven. Ook haar wetenschappelijke nieuwsgierigheid treedt al vroeg aan de dag. Als ze een keer een flinke bloedneus heeft, besluit ze snel het bloed in een reageerbuisje op te vangen om het te gebruiken bij haar chemische experimenten. Het is dan ok niet verwonderlijk dat ze al gauw lessen volgt met veel oudere kinderen en als beste van haar jaar het examen haalt.

Oxford

Ze kan echter pas een jaar later naar Somerville College in Oxford, omdat ze eerst haar achterstand in Latijn nog dient weg te werken: het toelatingsexamen wordt in die tijd nog volledig in die taal afgenomen. Vrouwelijke studenten zijn er bovendien nauwelijks. Zij worden door sommige hoogleraren zelfs uit de colleges verwijderd, omdat ze geacht worden een demoraliserende uitwerking op de mannelijke studenten te hebben. Dorothy kiest aanvankelijk voor de chemie, maar legt al gauw ook een grote belangstelling voor kristallen aan de dag. Zeker als ze op een dag bij toeval in de bibliotheek een artikel ontdekt over de mogelijkheden die röntgenstralen bieden bij de opheldering van de structuur van moleculen.

Voor het eerst was ze daar mee in contact gekomen toen ze als twaalfjarig meisje in de Royal Institution in Londen de Christmas Lectures bijwoonde, die dat jaar werden gegeven door William Bragg. Samen met zijn zoon had hij zeven jaar eerder de Nobelprijs gekregen voor hun experimenten met röntgenstralen aan kristallen. Het betekent voor Dorothy het begin van een levenslange fascinatie. Zelfs een paar maanden voor haar dood zal ze – vierentachtig jaar oud en tegen de adviezen van alle artsen in – nog de Internationale Conferentie voor kristallografie bezoeken die dat jaar in Peking wordt gehouden.

Ze leert het vak niet in Oxford, maar in Cambridge waar ze gaat werken aan haar proefschrift in de groep van J.D. Bernal, een door zijn linkse sympathieën nogal omstreden fysicus. Naast zijn interesse voor kristallen en structuuropheldering zijn het zeer waarschijnlijk ook zijn communistische en pacifistische opvattingen die Dorothy zeer aanspreken. Zo zetten ze samen al in 1932 een Anti-War Group op. Er is zelfs even sprake van een kortstondige liefdesrelatie, maar als ze – met een beurs – weer is teruggekeerd in Oxford valt ze vrij onverwacht toch voor de historicus Thomas Hodgkin, met wie ze vrij snel daarna in het huwelijk treedt.

Het is een verwarde en opwindende periode in haar leven, wat heel mooi geïllustreerd wordt aan de hand van fragmenten uit brieven en dagboeken. Omdat Thomas ver weg in het noorden volwassenenonderwijs geeft en Dorothy aan Oxford gebonden is, ontwikkelt zich een weekend huwelijk, dat tot aan het einde van de Tweede Wereldoorlog zal voortduren. De scheiding van Thomas en de eerste aanvallen van jicht, die nooit meer helemaal zullen verdwijnen beletten haar niet om drie kinderen groot te brengen. Het tekent de achterlijke situatie dat ze zelfs voor een betaald zwangerschapsverlof – dat ze uiteindelijk als eerste vrouw ooit krijgt – nog moet vechten.

Penicilline

Maar dat is ze gewend, want ze trekt in alles volledig haar eigen plan. Want hoewel zij en Thomas na de oorlog in Oxford gaan wonen, is zijn liefde voor Afrika zodanig groot dat hij lange perioden onder andere in Nigeria en Ghana werkt aan het opzetten van nieuw onderwijs. Dorothy heeft dan haar eerste grote wetenschappelijke triomf al behaald, wanneer ze er tijdens de oorlog in slaagt om de structuur van het net ontdekte penicilline op te helderen. Dat maakt de weg vrij voor een scheikundige synthese van dit zo belangrijke geneesmiddel en ook van talloze andere er van afgeleide antibiotica.

Als eerste maakt ze bij de interpretatie van de röntgenfoto's gebruik van de mogelijkheden die de splinternieuwe elektronische computers bieden. Tegen het conservatisme van de universitaire bestuurders in zet ze een soort rekencentrum op dat onontbeerlijk zal blijken bij al haar verdere wetenschappelijk werk. Zo ontdekt ze niet alleen de structuur van het vitamine B12 – een voor die tijd fabelachtige prestatie – maar ook van insuline, een probleem, waar ze bijna dertig jaar aan werkt.

De lezer zou wellicht het gevoel kunnen bekruipen dat het allemaal wel erg technisch en ingewikkeld is waar Hodgkin zich mee bezig heeft gehouden. Dat mag zo zijn, maar Georgina Ferry slaagt er op een bewonderenswaardige wijze in om de wetenschappelijke problematiek helder voor leken uiteen te zetten. Maar veel belangrijker is dat je absoluut niet geïnteresseerd hoeft te zijn in datgene waar Hodgkin nu precies zo hard aan heeft gewerkt. Zelfs als je nog nooit van röntgenstralen of kristallen hebt gehoord, dan blijft haar levensverhaal de moeite waard. Want wat werkelijk van de pagina's af spat is het plezier in het doen van onderzoek: vanaf de eerste röntgenfoto's die ze zelf maakte – met ondeugdelijke apparatuur die opeens kon ontploffen of waar je voortdurend schokken van kreeg – kan ze de experimenten bijna niet meer loslaten. Bijna continu is ze in het laboratorium te vinden, en samen met talloze medewerkers en studenten – onder wie Margaret Thatcher, `not one of Dorothy's success stories' – lost ze de problemen op die zich voordoen. Ferry is er heel goed in geslaagd om dat plezier over te brengen vooral aan de hand van talloze citaten uit briefwisselingen die Hodgkin voerde: in het begin van haar carrière met haar ouders, die ze nauwgezet van haar doen en laten op de hoogte hield, en later met haar man, die immers ook lange perioden in een of ander buitenland verkeerde.

Pugwash

Onherroepelijk nemen naarmate haar carrière voortschrijdt ook andere beslommeringen bezit van haar. Zo voert ze onvermoeibaar campagne voor de wereldvrede en is ze enige tijd president van de Pugwash-conferenties, waar wetenschappers uit Oost en West samenkomen om te praten over wereldproblemen. Ze onderhoudt goede contacten met talloze communistische landen – wat haar zelfs nog op een inreisverbod voor de Verenigde Staten komt te staan – en probeert ontwikkelingslanden als India en China te helpen bij de opbouw van hun wetenschappelijk onderzoek. Talloze buitenlanders worden bij haar in Oxford in het vak ingewijd.

Alles overziend lijkt Ferry's biografie misschien het levensverhaal van een heilige, en dat is ook het enige wat er op aan te merken is. Ferry deed haar onderzoek in nauw overleg met de familie Hodgkin, wat nodig was om de beschikking te krijgen over de correspondentie. Maar misschien is er daarom hier en daar toch wat verborgen gebleven. Het lijkt immers onmogelijk dat er alleen maar positieve verhalen over Dorothy te vertellen zouden zijn. Een kleine aanwijzing daarvoor vormt de ontdekking dat Thomas jarenlang een minnares heeft gehad, die in Ghana zelfs bij hem in huis woonde. Aan deze hele affaire wordt welgeteld één pagina gewijd. Maar dat is spijkers op laag water zoeken. Dorothy Hodgkin verdient een groot lezerspubliek.

Georgina Ferry: Dorothy Hodgkin. A Life. Granta Books, 423 blz. ƒ77,–