Soms moet ik hakken

De koningin die gebaart, een wankele dronkenman: Nel van Lith legt ze liefdevol vast.

Een bronzen beeldje ten voeten uit, 24 centimeter hoog, een portret van wijlen jonkheer Willem Sandberg, Nederlands beroemdste museumdirecteur. Het kleinplastiek van de broodmagere man met afhangende armen, gebogen rug met daardoor een wat omlaag kijkend hoofd met een slordig voor de ogen hangende haarlok lijkt meer op Sandberg dan deze op zichzelf leek.

Nel van Lith, de maakster van het portretje, maakt zich niet veel illusies over wat Sandberg zelf van zijn bronzen weergave zou hebben gevonden: ,,Figuratieve kunst zág hij gewoon niet, hij had er een blinde vlek voor, het bestond voor hem niet.''

Het beeldje is een van de opmerkelijkste stukken van de tientallen grote en kleine beelden die Nel van Lith (66) bijdroeg aan een groepstentoonstelling in het gebouw van de Zwolsche Algemeene in Nieuwegein. De expositie met het werk van negen deelnemers werd mede georganiseerd door de Amersfoortse galerie De Ploegh.

Behalve in Nieuwegein is een belangrijk werkstuk van Nel van Lith sinds kort ook te zien in het Henriëtte Polak Museum in Zutphen, dat ooit werd opgericht als plaats waar in de storm van abstracte stromingen en opvattingen de figuratieve beeldende kunst onderdak kon blijven.

Het kleine binnenplaatsje van het historische pand werd speciaal opgeknapt om er het ongeveer levensgrote brons te kunnen plaatsen van de tekenaar Henk Broer gezien door Nel van Lith.

Het beeld is een der hoogtepunten van een samenhangende collectie, die door de beeldhouwster aan Zutphen werd geschonken. Het totale geschenk bestaat uit 30 beelden en enkele honderden tekeningen die het resultaat zijn van een artistieke symbiose waarin Nel van Lith en Henk Broer zo tussen 1979 en 1982 met elkaar verbonden waren. Afwisselend in haar atelier en het zijne werkten zij vrijwel dagelijks aan beeltenissen van elkaar. Hij tekende Nel aan het werk, zij boetseerde de zittende en schetsende tekenaar. In het atelier stonden spiegels zo opgesteld dat zij elkaar steeds aan alle kanten konden zien.

Het beeld in Zutphen is dan ook dat van een zittende oudere man, getekend door het leven, die geheel verdiept is in zijn schetsende werk, zijn eveneens actief model met arendsogen in een woeste kop beloerend.

Zij waren ook buiten de zittingen artistiek met elkaar bezig, getuige bijvoorbeeld enkele kleine staande beelden van Broer, gekleed en naakt, een broze oude man, mager en kwetsbaar. Van hem onder meer een snelle schets terwijl zij aan het telefoneren is.

Broer was, observerend via de spiegels steeds bezig aan een portret en een zelfportret tegelijk, daarbij de intens hakkende en knedende beeldhouwster in al haar houdingen en bewegingen volgend. Nel van Lith beperkte zich tot de man met wie de relatie tijdens het vorderen van het project steeds hechter, wellicht intiemer werd. Er ontstonden de bijbehorende spanningen tussen de beeldhouwster, een vrouw die bepaald niet over zich laat lopen, en de oudere tekenaar die nogal van een borrel hield en zijn gierige en ijdele buien had. Zijn en haar irritaties zijn uiteraard van invloed geweest op beider werk. In de letterlijke zin trachtten zij elkaar tijdens het werk naar de hand te zetten, elkaar in hun meest typische poses te betrappen.

Beiteltjes

Nel van Lith vertelt erover in haar bungalow-achtige boerderij die in de buurt van Biddinghuizen in de zeer platte polder van Flevoland staat. Om haar heen een nauwelijks onderbroken horizon en, dichter bij haar werk, buiten en in een tot een permanente expositiehal gemaakte binnenruimte van de boerderij, waar voorbijgangers en andere bezoekers eventueel welkom zijn.

Haar atelier is een grote, aan één zijde open schuur waar de stofwolken van het steen zagen en hakken en van het werken met gips kunnen ontsnappen in de hoge luchten die hier altijd boven de polder staan.

Nel van Lith, dochter van de beeldhouwer Huub van Lith, kwam op haar veertiende voor het eerst in een atelier. De sfeer daar, de schimmellucht van natte lappen, de half verkruimelde kleibeelden, ,,een aardse geur van paddestoelen en mos'' maakte het voor haar duidelijk dat zij ook in zo'n atelier wilde gaan wonen. Toen zij in het atelier van Jean Meefout zag hoe hij bezig was met beiteltjes, slijpen en schuren stond haar besluit helemaal vast.

Aan de Rijksacademie in Amsterdam werd zij opgeleid door de opvolger van Bronner, Piet Esser, tot op zekere hoogte een vernieuwer binnen de grenzen van zijn figuratieve generatie. Hij bevrijdde de beeldhouwkunst van de ondergeschiktheid aan de architectuur en brak met de traditie van het standbeeld dat op een sokkel behoort te staan.

De verwantschap tussen leraar en leerling Nel van Lith kan bijvoorbeeld blijken uit het beeld van Troelstra door Esser dat in Den Haag staat. Het zoeken naar het karakteristieke in iemands houding en uitdrukking, dat in dit beeld zo waarneembaar is, is ook voor veel van haar werk kenmerkend. Een van de beelden die zij van Henk Broer maakte toont een magere mannengestalte die diep door de knieën gezakt moeizaam bezig is met zijn sleutel het slot van zijn deur te vinden. Die zoektocht wordt bemoeilijkt door drankvertroebelde ogen. Het beeldje is tegelijkertijd een karikatuur en een liefdevolle waarneming. In dergelijke schoten in de roos excelleert Nel van Lith zoals ook blijkt uit het hierboven genoemde beeldje van Sandberg en verder in een kop die zij van de museumdirecteur maakte. Het gezicht is opgebouwd uit bronzen huidplooien, oogzakken, de ruim aangeduide stugge lippen, slordig neerhangend haar. Van Liths observatievermogen komt in al deze bronzen onmiddellijk tot uiting, in de portretten van bekende mensen maar zeker ook in figuren die de `ochtend na het feest' moeten doormaken.

Zij werkt in elkaar afwisselende perioden in brons en in steen, soms overlappen die technieken elkaar. Zij gaat soms van brons naar steen over als het `gepiel' bij het boetseren van in brons af te gieten beelden haar gaat vervelen. Ze vraagt me deze uitingen van haar voorzichtig te beschrijven om niet de indruk te wekken dat ze een hekel zou hebben aan haar figuratieve bronswerken, in het bijzonder haar portretten. Het tegendeel is het geval, maar toch kent ze de behoefte het precieze, het gedetailleerde, het `gepiel' voor een tijdje te onderbreken. Het sluitstuk van de beeldenserie in het project met Henk Broer bijvoorbeeld was een abstract. Na een paar jaar van gedetailleerd boetseren, zegt ze, ,,had ik ineens schoon genoeg van mezelf.''

Klei en brons moesten dan plaatsmaken voor het harde, rose Portugese marmer, voor Pakistaans of Turks onyx, een steensoort die lagen van verschillende tinten vertoont. Of albast. Haar gehakte, stenen figuren hebben een neiging naar abstractie zonder overigens hun herkenbaarheid te verliezen. Zij zegt in het bijzonder in buien van eenzaamheid de abstractie op te zoeken: ,,Soms weet ik precies wat ik ga maken, een voorstelling naar aanleiding van een belevenis of ontmoeting. Soms begin ik zomaar en kijk wat er gebeurt. Ik heb wel eens meegemaakt dat iemand later vertelde wat zo'n beeld voor emoties bij hem losmaakte en dat dat dan precies overeenkwam met wat ik voelde bij het maken van zo'n beeld. Dat zijn wondertjes.''

In haar bronzen overigens, vooral haar portretten maar zeker ook haar beelden ten voeten uit toont Nel van Lith zich een der laatsten in de traditie van haar leermeester Esser en diens onmiddellijke voorgangers en tijdgenoten als Wenckebach, Sondaar, Mari Andriessen, Lambertus Zijl, John Raedecker, Charlotte van Pallandt.

Evenals bij de laatstgenoemde kunstenares is bij Nel van Lith een voortdurende zoektocht te ontdekken naar een synthese tussen het ambachtelijke realisme en abstracte verkenningen. In de permanente expositie in haar woning is te zien dat de twee opvattingen in een alleszins aantrekkelijke artistieke logica kunnen uitmonden. Vooral in haar vormexperimenten op basis van de menselijke figuur, zoals in het beeld Oogst in rose marmer, waarin een oudere vrouw en haar man dicht tegen elkaar aanstaan, in elkaar vervloeien. Ze zijn aangeduid door vlakken en facetten, een kubistische aanpak waarin toch de figuratie een stevig houvast biedt.

Vorstin

Diverse malen maakte Nel van Lith portretten en studies van koningin Beatrix. Ten voeten uit terwijl de vorstin in een betoog druk aan het gebaren is, en in bronzen koppen.

Zo'n portret door Nel van Lith staat bijvoorbeeld in de raadzaal van Almere. Daar werd het begin dit jaar gestolen. Niet lang daarna, in maart, werd zij opgebeld door een anonieme man die haar vroeg wat zij er voor over had om het beeld weer terug te krijgen. Hoewel het inmiddels gemeentelijk eigendom was geworden en hoewel het beeld desnoods opnieuw afgegoten kon worden ging Van Lith op het voorstel in: ,,Ik wilde niet dat het in de groezelige handen van de dief zou blijven.''

Zij bood 3000 gulden waar de man op inging. Zij moest op 15 maart 's middags om half vier op Stadionplein in Amsterdam gaan staan: ,,Daar reed een jongen alsmaar rondjes op een bromfiets, waarschijnlijk om te kijken of ik alleen was. Op zeker moment reed hij vlak achter me langs en zei: hij komt zo.'' Hetgeen gebeurde, er verscheen een man (,,een jaar of veertig, slank, blond'') die het geld wilde. Samen liepen zij naar een nabije bank om daar het geld uit de muur te halen. De automaat wilde niet verder gaan dan 2500 gulden omdat ze rood stond. De man accepteerde dit lagere bedrag en nam haar via een wandeling waarin veel hoeken en omweggetjes genomen moesten worden naar een brug in de Marathonweg. Daar verscheen inderdaad een jongetje met een zak waarin het beeld zat.

Nel van Lith maakte er bezwaar tegen dat zij alleen de loodzware kop naar haar auto zou moeten dragen. Het bizarre verhaal krijgt zo mogelijk een nog bizarder einde: de dief droeg de kop gedurende een tien minuten durende wandeling naar haar auto.

Nel van Lith, van 18 juni tot 3 september, beelden in het gebouw van de Zwolsche Algemeene, Buizerdlaan 12, Nieuwegein, op werkdagen van 9-18u