Op naar een authentiek paradijs

De Balinese schilderkunst van voor de oorlog is een westerse creatie, geschapen voor een jetset waartoe Margaret Mead behoorde en Charles Chaplin.

Voorzomerzaterdagochtendse stadsbeelden van Rotterdam schoten linksrechts aan ons voorbij. Het portier van de taxi rammelde erbarmelijk. Zojuist kapotgetrokken door een dronken passagier, zei de taxichauffeur. Tuttut zeiden wij en trokken ons braafste gezicht. Whitney Houston zong rond; de radio in de taxi stond luid aan. Toen het nummer was afgelopen meldde de DJ dat Whitney Houston graag zonder onderbroek optrad, maar dan voor de zekerheid wel een blok toiletverfrisser onder haar rokje hing, tegen de stank. Grapje, voegde hij eraan toe. Een van de eerste tekeningen op de tentoonstelling over Balinees modernisme in de Kunsthal toonde een meisje dat bevallig haar rok optrok. Whitney Houston, zeiden we tegen elkaar, en, grapje hoor. De omstandigheden waarin je leeft bepalen de manier waarop je naar kunst kijkt.

Het meisje op de tekening van I Resek probeerde met het onthullen van haar benen een mediterende man te verleiden die van achter een boom ook nog belachelijk gemaakt werd door een ander wicht. Het oppervlak van de ingekleurde pentekening, dertig bij tweeënvijftig centimeter, was vrijwel geheel opgevuld door een fijntjes gestileerd oerwoud waarin de drie hoofdpersonen gedeeltelijk verdwenen. Een suggestie van perspectief ontstond doordat de achtergrond, die door het gebladerte heen schemerde, donker gemaakt was en dus naar achteren week.

We bekeken meer tekeningen waarin oerwoud de overhand had; van I Ketut Poegeg, Gusti Made Roem, Ida Bagus Ketut Diding, Dewa Kompiang Kandel Roeka en Anonymous. Behalve die laatste kwamen de meeste namen mij onbekend voor. Het Balinees modernisme, ontstaan tussen 1928 en afgesloten in 1942, bleek een van die ontelbare dingen in het leven te zijn waar ik nooit nieuwsgierig naar had kunnen zijn simpelweg omdat ik van het bestaan niet afwist. Of dat aan het Balinees modernisme lag of aan mij bleef de vraag.

In het voorwoord van de catalogus wijst Frans Haks er streng op dat mensen uit landen die door het Westen gekolonialiseerd zijn door de eeuwen heen als minderwaardig gezien werden, nauwelijks als mensen zelfs. Voorheen werden ze barbaren genoemd of heidenen of natuurmensen of primitieven. Tegenwoordig, iets wijzer geworden, zijn de termen er wel vager (mensen uit de derde wereld of ontwikkelingslanden) maar niet beter op geworden.

Volgens Haks bepaalt hooghartigheid nog steeds de houding tegenover niet-westerse kunst, die daardoor veroordeeld is tot een bestaan in volkenkundige musea en in de geschiedenis van de moderne kunst een marginale positie krijgt toebedeeld.

Hooghartig

Als kunstliefhebber is het niet je bedoeling om hooghartig te zijn. Zeker niet, ik juich het toe als al die ouwe, witte, uitgezakte, onzichtbaar-tropengehelmde zultkoppen die zich de voortrekkers van de moderne kunst wanen, vervangen worden door primitieven en dames en vooral bosjes primitieve dames. Alleen is de situatie allang niet meer zo statisch als Haks beschrijft. Chinese kunstenaars maken furore tot aan het Stedelijk Museum toe. Chris Ofili, een bijzonder succesvolle Engelse kunstenaar is zwart, zijn door olifantsdrollen gestutte schilderijen verwijzen (ironisch) naar zijn achtergrond. Hedendaagse Afrikaanse kunst is in in Europese musea voor moderne kunst te zien geweest en door vooraanstaande verzamelaars aangekocht, steeds vaker ook exposeren in Nederlandse kunstruimtes jonge kunstenaars met een niet-westerse achtergrond (voorgrond?). De komende Dokumenta wordt samengesteld door een zwarte, Nigeriaanse curator, Okwui Enwezor. Het begin is er dus.

Wij bekeken alle tekeningen in Rotterdam zorgvuldig. Tekeningen van jachtscènes en dansen, gevechten tussen mensen onderling, gevechten tussen mensen en dieren en dieren onderling. Feesten. Demonen. Tempelceremonies, vissers aan het werk. Tekeningen over jaloezie, waarin het met de betrokkenen zichtbaar slecht afliep, zoals op de tekening van I Kanten waarop een jaloerse man een vrouw doodde terwijl twee andere mannen met grote steekwonden hun laatste adem uitbliezen. Gek genoeg stond een boom met enorme bloemen in de voorstelling centraal, wat de aandacht nogal afleidde van de moordpartij. Of een erotische voorstelling, van Ida Bagus Ketut Soenia, die het schilderen in de jaren zestig opgaf om priester te worden. `Mannen met enorme penissen die met oude vrouwen vechten' luidde de beschrijving van dit werk. Het zag er naar uit dat de oude vrouwen het gevecht zouden gaan winnen, ze hadden hun tanden in de ziekelijk gevlekte penis van de ene man gezet en wurgden met verbeten gezicht een ander wiens tong al uit zijn mond hing. Hun oude borsten hingen als opgezwollen uiers naar beneden. De kunstenaar moet een weinig vrolijk beeld van seks gehad hebben.

De meeste tekeningen waren vlakvullend volgetekend, decoratief, een beetje stripachtig, met sterke contouren rond alle vormen. Ondanks dat een aantal beelden op het eerste gezicht mooi, grappig of aangrijpend was, bleef het moeilijk om tot het werk door te dringen. Op de tentoonstelling werd slechts summiere informatie over het ontstaan van het Balinees modernisme verstrekt, een korte chronologie waarvan de feiten moeilijk met elkaar in verband gebracht konden worden, zoals: `1914 - De eerste Engelstalige reisgids over Bali wordt in Jakarta gepubliceerd' of `1926 - Walter Spies arriveert op Bali'. Maar wat heeft een reisgids met Balinees modernisme te maken en wie was Walter Spies? Ook de catalogus vult die lacune niet afdoende op; een essay ontbreekt. Jop Ubbens, van veilinghuis Christie's in Amsterdam, vertelt in zijn bijdrage over de prijsontwikkeling die Indonesische kunst de afgelopen jaren heeft doorgemaakt en Leo Haks en Guus Maris, kunsthandelaren, geven een uiterst beknopte samenvatting van de achtergronden van de kunstwerken.

Invloedrijk

In 1998 hebben Haks en Maris ook een cd-rom uitgegeven waar meer dan vierhonderd tekeningen van Balinese modernisten op staan, waaronder alle werken die nu op de tentoonstelling te zien zijn. De hele collectie wordt door hen te koop aangeboden. Ze verzekeren de potentiële koper dat hij zo in één klap een van de invloedrijkste verzamelingen van moderne Balinese kunst kan verwerven. Tevens bieden ze aan om na verwerving te helpen de collectie nog uit te breiden.

Zo staan de zaken er blijkbaar dus voor.

Frans Haks: het Balinees modernisme wordt door westerse arrogantie veronachtzaamd. Jop Ubbens: het Balinees modernisme is duur. Leo Haks en Guus Maris: het Balinees modernisme is te koop. Toeschouwers: wat hebben wij daarmee te schaften?

In 1927 vestigt de Duitse kunstenaar Walter Spies zich permanent op Bali, hij wil zijn leven doorbrengen tussen mensen die nog dicht bij de natuur staan. Hij houdt zich bezig met schilderkunst, muziek, fotografie en film en is zeer geïnteresseerd in antropologie, plantenkunde en archeologie. Ook verzamelt Spies spreekwoorden, verhalen en volksliedjes onder de arme boerenbevolking. Hij gaat wonen in de heuvels bij Ubud, samen met een aapje, een kakatoe en omringd door mooie jongens. Voor westerse homoseksuelen is Bali in die jaren een paradijs. Homoseksualiteit wordt er gezien als een logisch tijdverdrijf voor jonge ongetrouwde mannen, en derhalve niet streng veroordeeld. Tot, onder druk van de toenemende politieke spanningen in de wereld, de Nederlandse autoriteiten eind jaren dertig een heksenjacht op (westerse) homo's ontketenen. Sommigen verlaten Bali overhaast, anderen plegen zelfmoord. Meer dan honderd verdachten, onder wie ook Spies, worden in 1938 opgepakt. Balinese vrienden houden uit protest een gamelan-uitvoering voor de gevangenis, zijn verdediging wordt gevoerd door de beroemde antropologe Margaret Mead, met wie hij bevriend is. Spies wordt in 1939, de Tweede Wereldoorlog staat op uitbreken, tot gevangenisstraf veroordeeld. Zijn commentaar luidde dat hij dan eindelijk weer aan schilderen toe zou komen. Het moet een grapje zijn geweest.

Paradijs

In de jaren twintig evenwel is alles nog paradijs en vrede op Bali. Niet alleen jonge homo's voelen zich tot het eiland aangetrokken, de halve hunkerende westerse jetset bezoekt het eiland. De toegenomen technische mogelijkheden van de fotografie hebben daarin een belangrijke rol gespeeld; ansichtkaarten met afbeeldingen van woest dansende krijgers, halfnaakte vrouwen en overweldigende plantengroei brengen in Europa en Amerika een sterk aangezet beeld van een exotisch eiland over. In 1920 heeft Gregor Krause ook zijn boek Bali gepubliceerd, vol voyeuristische foto's van badende vrouwen.

Charlie Chaplin, wiens films op Bali zeer geliefd zijn, Noel Coward, de rijke Woolworth-erfgename Barbara Hutton, de schrijfster Vicki Baum, Margaret Mead en haar derde echtgenoot Gregory Bateson, allemaal bezoeken ze Bali, allemaal bezoeken ze Walter Spies. Een van de karakters in Baums boek A tale from Bali is grotendeels op Walter Spies gebaseerd. Diens huis zal in de jaren dertig een verzamelplaats voor rijke toeristen worden. Om geld te verdienen verhuurt hij guesthouses, daarnaast kan hij mensen als geen ander van advies dienen over de cultuur op Bali. Spies' huis wordt niet alleen een verzamelplaats van westerlingen, ook Balinese kunstenaars komen er bijeen. Hij laat ze afbeeldingen zien van westerse kunst, onder meer van Le Douanier Rousseau die hijzelf zeer bewondert, hij laat ze kennis maken met andere materialen en moedigt ze vooral aan om vrijer te gaan werken, geen toegepaste kunst meer te vervaardigen, maar tekeningen die op zichzelf kunnen staan en de wereld om hen heen weerspiegelen. Ook bemiddelt Spies veelvuldig bij de verkoop aan toeristen. Chaplin koopt, Margaret Mead en Bateson leggen een grote collectie aan.

In 1932 sticht Spies met de Nederlandse kunstenaar Rudolf Bonnet het Bali Museum in Denpasar om het Balinese erfgoed voor het eiland te kunnen behouden. In de jaren die volgen neemt de verkoop van moderne Balinese kunst een hoge vlucht die de kwaliteit ervan doet afnemen. Om die kwaliteit te bewaken besluiten Bonnet en Spies in 1936 de schildersvereniging Pita Maha op te richten. Door henzelf en andere deskundigen goedgekeurde tekeningen worden vanuit het museum aan buitenlandse klanten verkocht. In 1931 adviseert Spies ook de Nederlands-Indische regering bij de inrichting van de laatste Koloniale Tentoonstelling in Parijs. Het is hier dat Antonin Artaud voor het eerst de Balinese dansen ziet die een belangrijke invloed zullen worden op de ontwikkeling van het `theater van de wreedheid' dat hem voor ogen stond. Ook waren er moderne Balinese tekeningen te zien. Spies stelt speciaal voor de tentoonstelling een boek samen met foto's die hij op Bali heeft gemaakt. Zijn eigen schilderwerk lijdt onder al deze activiteiten.

Adrian Vickers, Bali-kenner, wijst er in zijn Bali, a paradise created op dat Rudolf Bonnet en in zijn kielzog Walter Spies een paternalistische houding tegenover de Balinese kunst hadden. Het was aan hen te danken vonden ze, dat de Balinese kunst een renaissance doormaakte. Met de beperkingen van hun eigen smaak hielden ze geen rekening. Zo schreef Bonnet eens een krantenartikel over vernieuwingen in de traditionele architectuur die hij hooghartig afwees. En Spies liet zich de titel van `vader van de moderne Balinese kunst' maar wat graag aanleunen, ondanks het feit, zoals Vickers fijntjes opmerkt, dat een aantal Balinese kunstenaars veel meer talent tentoonspreidde dan hijzelf of Bonnet.

Of het ontstaan van het Balinese modernisme geheel de verdienste van Spies en Bonnet is, valt van waar ik me bevind moeilijk te beoordelen. Op zoek naar een authentiek paradijs brachten zij moderne inzichten (over kunst) met zich mee en veranderden zo het aanzien van datzelfde paradijs. Ook de ontwikkeling van het toerisme, waarin Spies een voortrekkersrol had, speelde daarin een voorname rol; zonder afzetmarkt hadden de Balinese kunstenaars hun experiment nooit kunnen volhouden. Reizigers, toeristen, aangetrokken door de idee van ongereptheid, helpen door hun aanwezigheid die (natuurlijk relatieve) ongereptheid vervolgens om zeep, een proces dat tot op de dag van vandaag voortduurt. Niets is bespottelijker dan een toerist te horen verklaren dat hij op plekken geweest is waar nooit toeristen komen.

Misschien is je vastklampen aan authenticiteit nog wel hooghartiger dan het verlicht kolonialisme van Spies en Bonnet, dat zo'n impuls bleek te zijn voor de moderne kunst op Bali. Impulsen van buitenaf houden een cultuur levend, welke cultuur dan ook.

Met Walter Spies liep het slecht af. Als Duitser werd hij na de aanvang van de Tweede Wereldoorlog door de Nederlands-Indische autoriteiten geïnterneerd. Op 18 januari 1942 brachten ze hem met een schip naar Ceylon over. De dag erop werd de Van Imhoff getroffen door een bominslag. Spies en vierhonderd anderen verdronken vastgeketend, terwijl de bemanning het langzaam zinkende schip met reddingsboten verliet zonder zich om hen te bekommeren. Volgens de Balinezen moest Spies dit noodlot ondergaan omdat hij in de macht geraakt was van demonen. Het betekent dat zij Spies werkelijk als één van hen beschouwden, daar de goden en demonen op Bali zich nimmer met vreemdelingen bemoeien. Het uitbreken van de oorlog zou tevens het einde van het Balinees modernisme markeren.

Magie en modernisme – Kunstenaars van Bali 1928-1942. Kunsthal Rotterdam, t/m 22 augustus, tel. 010-4400300.

Een boom met enorme bloemen leidde de aandacht af van de enorme moordpartij

Niets is bespottelijker dan de toerist die verklaart dat hij komt waar nooit toeristen komen