Nieuw spookdebat in Kamer over IRT-affaire

De rechtsstaat wankelt, zegt de politiek. Er zijn slechts aanwijzingen dat er iets mis is, reageert justitie.

De naam van officier van justitie P. Snijders viel niet. Geen enkele magistraat of opsporingsambtenaar mocht met name worden genoemd. Informanten en criminelen werden anoniem aangeduid. En gedurende de volledige vergadering ging er geen bewijsstuk over tafel.

Afgelopen maandagmorgen werd de commissie Justitie uit de Tweede Kamer achter gesloten deuren geïnformeerd over de `hardheid' van de bevindingen van de commissie-Kalsbeek. In het openbare debat dat er deze week op volgde, bleek dat commissievoorzitter E. Kalsbeek die maandagmorgen een knap staaltje overtuigingskracht aan de dag legde.

Aanvankelijk bestond onder Kamerleden enige scepsis over de hardheid van de bevindingen. De IRT-affaire, zei Kalsbeek stellig, was veel erger dan eerder gebleken: 15.000 kilo cocaïne ingevoerd, hulp van corrupte ambtenaren, een ophanden zijnde deal met een criminele hoofdrolspeler.

Hoe konden de commissie-Kalsbeek en daarna de Kamerfracties zo zeker zijn van de hardheid van deze bundeling van prikkelende details? Geen Kamerlid die het hardop kon of wilde toelichten. Er mocht geen operationele informatie naar buiten komen, was de afspraak. Maar deze week is de Kamer van links tot rechts overtuigd dat de rechtsstaat wankelt: Colombiaanse en Nederlandse criminelen runnen een deel van het overheidsapparaat.

Bij het OM en departement worden dezelfde operationele inlichtingen een slag anders beoordeeld. ,,Het is een lulverhaal'', zegt een topambtenaar van het departement van justitie over de cocaïne-importen met hulp van opsporingsambtenaren. ,,Wij krijgen van het OM al twee jaar te horen: er gaat een verhaal dat... Oh, ja. Leuk, zeiden we dan. Zoek het vooral goed uit.''

Er is dus een opvallende discrepantie tussen de wijze waarop politici enerzijds en magistraten anderzijds hetzelfde dossier beoordelen. Kamerleden zijn gevallen voor een spannend indianenverhaal, is samengevat het oordeel van de professionele justitiële waarnemers.

De vice-president van het Amsterdamse hof J. Willems - een van de gesprekspartners van de Kamercommissie - heeft de afgelopen weken met toenemende ergernis de discussie over het rapport-Kalsbeek gevolgd. Hij wil maar niet overtuigd raken van de bevindingen. ,,Als je publiekelijk met deze boodschap komt waarvan je weet dat het tot zo veel vragen aanleiding geeft dan mag je niet volstaan met de mededeling: het is echt zo. Je moet zoiets toch op enige manier feitelijk onderbouwen? Het blijft nu in de sfeer van: wij zeggen dat het zo is maar niemand kan controleren of het gerechtvaardigd is. Wanneer niks kan worden verteld dan was het beter geweest als de Kamercommissie discreet de minister op de hoogte had gesteld'', zegt Willems.

Kamerleden wijzen de beschuldigingen van naïviteit verontwaardigd van de hand. Men is niet over één nacht ijs gegaan en bovendien heeft men meer bronnen dan één officier van justitie, zoals in justitiële kringen wordt gesteld. Kamerleden suggereren dat men ook veel inlichtingen heeft van de BVD.

Er is - gek genoeg in dezelfde IRT-affaire - een precedent in de omgang van de Kamer met vertrouwelijke justitiële informatie. Ook in 1994 koos het parlement op basis van geheime informatie de kant van een onderzoekscommissie - met zeer schadelijk gevolg. Toen concludeerde de commissie-Wierenga dat de later omstreden opsporingsmethode niet openbaar mocht worden. Dat zou mensenlevens op het spel zetten. Wierenga deed daarom een vertrouwelijke bijlage bij zijn rapport, waarin de methode stond beschreven. De Kamer mocht er in het openbaar niets over zeggen.

Zo gebeurde het dat destijds een openbaar debat werd gevoerd over een methode die geheim moest blijven. De Kamer voerde een `spookdebat', stelde de enquêtecommissie-Van Traa twee jaar later. Het parlement keurde de methode op voorspraak van Wierenga goed maar moest later vaststellen dat men een gedrocht sanctioneerde: met de methode zouden honderdduizen kilo's softdrugs op de markt worden gebracht zonder dat een boef mee werd gevangen. Van Traa concludeerde in 1996 dat de Kamer door de geheimhouding ,,geen adequate controle'' uitvoerde. Hij concludeerde dat dit nooit meer mocht gebeuren.

Vijf jaar later kiest de Kamer toch weer voor vertrouwelijke toetsing van het IRT-dossier. Zoals het in 1994 met de geheime bevinding van Wierenga ging, zo ging het afgelopen week met de anonieme bronnen van de commissie-Kalsbeek. De conclusies werden overgenomen - maar een toetsing bleef achterwege. ,,Daar zit zeker een parallel'', zegt hoogleraar staatsrecht A. Koekkoek, destijds lid van de commissie-Van Traa. ,,Je zou dit niet zo moeten doen.''

Bovendien waren de feiten van Kalsbeek afkomstig van magistraten die hun kennis weer ontlenen aan criminele informanten. Ook daarmee deed wijlen Maarten van Traa ervaring op. Hij probeerde in kringen van zware jongens zijn licht op te steken. Maar hij concludeerde dat criminelen geen geloofwaardige bron konden zijn.

,,De bedoeling van Van Traa was om deze criminelen uiteindelijk in het openbaar te verhoren'', zegt criminoloog Frank Bovenkerk, die Van Traa begeleidde bij in totaal drie bezoeken aan gedetineerden in huizen van bewaring. ,,Uiteindelijk hebben we afgezien van het officieel horen van criminelen omdat al snel duidelijk werd dat die mensen zo gehaaid zijn dat het risico ontstond dat het verhoor zou uitlopen op een boevenshow.''