Kijken op straat

In zijn nieuwe bundel columns Stadsogen beschrijft Martin Bril enthousiast een foto van Jan Dibbets waarop een rond zolderraampje is te zien dat uitkijkt over Amsterdam. Bril fantaseert wat voor huiskamerdrama's zich allemaal op die zolder hebben afgespeeld, en hoe de fotograaf zich daartussen bewoog met zijn camera: `een man op zoek naar de juiste verhouding tussen rondingen, licht, schaduw, strakke lijnen, de roedeverdeling in het glas, duisternis en het leven verderop, in de stad beneden.'

Bril voelt zich duidelijk verwant met de kunstenaar, de column is op te vatten als een beginselverklaring. Bril schrijft alsof hij net als de fotograaf voor een raam zit en het mooie gezicht op Amsterdam bewondert, met afstand, vol liefde, uiterst nauwgezet, en met oog voor detail.

Zijn stukjes verschijnen dagelijks in Het Parool, in de rechterkolom op pagina drie, de plaats waar eens de Kronkels van Simon Carmiggelt stonden. Net als Carmiggelt slentert Bril door Amsterdam en beschrijft hij wat hij ziet. Ook de droge toon, het oog voor de kleine tragiek en de humor van het dagelijkse leven deelt Bril met zijn beroemde voorganger.

Carmiggelt leverde echter keurig afgeronde verhaaltjes met een begin, een midden en een uitsmijter. Bril knipt zomaar een moment uit een dag. Zijn stukjes zijn impressies, bijna stilstaande straatbeelden: flarden in de tram opgevangen dialoog, lyrische beschrijvingen van de Rozengracht, van een mosterdbruine Ford Taunus met een vrijend paar erin, of van een openstaande rioolput met eromheen arbeiders die niet werken maar wachten, net als de schrijver die toekijkt.

De bundel bevat niet alleen dit soort stillevens, maar ook rechtbankverslagen, een actueel stuk over de Bijlmerenquête, ontmoetingen met bekende en minder bekende Amsterdammers (Frits Bolkestein, Jan Mulder, Bob van broodjeszaak Het Balkje, Harrie de reiger), en vertederende uitspraken van Brils dochtertjes. Maar door de Brilbehandeling hebben deze stukken in hun verscheidenheid toch dezelfde gedempte, melancholische toon.

Het mooiste zijn de columns waarin Bril letterlijk achter het raam zit en het leven buiten bestudeert. Zo gluurt hij graag bij zijn Russische achterburen naar binnen. Bril kan niet veel zien, maar uit het schaarse beeldmateriaal weet hij een meeslepend drama te construeren, waarin de Russische vrouw een kind baart, een postnatale depressie doormaakt, wegteert van heimwee, en uiteindelijk plotseling verhuist.

In veel van de columns gebeurt bijna niets, Bril beschrijft graag `stille' momenten. Andere schrijvers zouden deze aangrijpen om erop los te mijmeren en te filosoferen. Maar Bril doet dat niet graag. Hij is geen groot denker, zijn ideeën zijn zo weer vervlogen. Ergens in het boek schrijft hij relativerend: `Heel bijzonder is dit allemaal niet, maar ik vond het toch prettig er even over na te denken.'

In plaats van ons lastig te vallen met wat hij denkt, legt Bril zich erop toe om zo nauwkeurig mogelijk te beschrijven wat hij ziet of hoort. Zijn columns steunen geheel op zijn fijne, zorgvuldige stijl. Bril is niet zozeer een verhalenverteller alswel een mooie-zinnenschrijver. Zijn `In memoriam' voor schrijver Karel van het Reve begint bijvoorbeeld met de prachtige regels: `Het leek me passend om als eerbetoon aan de overleden Karel van het Reve op zoek te gaan naar een draaiorgel en de man die het bediende een gulden te geven, met de mededeling dat ik graag drie kwartjes terug wilde. Het schijnt dat dat een gewoonte van de overledene was.'

Het gekke is dat Brils columns in boekvorm beter werken dan in de krant. Dit komt waarschijnlijk doordat de stukken waarin echt niets gebeurt soms gewoonweg te saai zijn. Hoe mooi hij het ook opschrijft, het is niet zo interessant om te lezen hoe Bril in de Sarphatistraat op tram 7 staat te wachten. Tussen het dagelijks geweld van een dagblad gaan dit soort stukjes dan ook snel verloren. Als je ze in boekvorm achter elkaar leest, kun je rustig in de Bril-mood komen en daardoor ook de saaiere passages waarderen. Aan de andere kant is het boek in één ruk uitlezen ook weer zonde. Zeven columns per dag is het beste. Stadsogen gedijt het beste naast het bed of op de wc. Geniet maar lees met mate.

Martin Bril: Stadsogen. Prometheus, 243 blz. ƒ29,90