Kale rupsen jeuken niet

Schuif, schuif, schuif. Er sjokt een ellenlange rij rupsen door de berm. Ze zijn met zijn tienduizenden. Het lijkt wel alsof er een eindeloze polonaise aan de gang is. De rups die voorop loopt, bepaalt waar de hele sliert naartoe gaat. Na een tijdje kruipt de leider een eik in. De rest volgt, tot helemaal boven in de boom. Daar zitten de sappige groene eikebladeren waarmee deze dieren zich voeden. Van een andere kant komt er nog zo'n lange rij aansjokken. Ook zij kruipen de boom in. De eik zit bomvol met rupsen. In één eik zitten soms wel 300.000 rupsen. Als de bladeren zijn opgepeuzeld, kruipen ze allemaal weer naar beneden. In mooie rijtjes. Elke rij gaat zijn eigen weg, op zoek naar een volgende eik. En zo gaat het verder, van eik naar eik. Daarom heten ze eikenprocessierupsen.

Van april tot augustus vind je miljoenen eikenprocessierupsen in Brabant en Limburg. In deze provincies zijn veel eikenlanen. Hier vinden de rupsen meer dan genoeg te eten. Er zijn zoveel rupsen dat ze een plaag vormen. De mensen hebben er last van. Of liever gezegd, van hun haren. In de maanden juni en juli verliest de grijzige rups namelijk honderdduizenden kleine zwarte haartjes. Brandhaartjes heten ze. Die waaien met de wind mee. Sommige komen op de huid van passerende mensen, koeien, geiten en andere dieren terecht. Aan elk haartje zitten kleine weerhaakjes waarmee het zich in de huid kan boren. Zodra dat gebeurt komt er uit het haartje een piepklein druppeltje vloeistof vrij dat een vreselijke jeuk veroorzaakt. Als zo'n haartje in je oog komt, kan je oog rood worden en ontstoken raken. Sommige mensen krijgen problemen met de ademhaling als ze de haartjes inademen.

Omdat ze de mens tot last zijn, moeten de rupsen dood. Mannen in dikke, witte pakken sporen de rupsen op en roeien ze uit. De mannen hebben grote stofzuigers bij zich waarmee ze de rupsen uit de eiken zuigen. Of ze spuiten een gif waar de rupsen niet tegen kunnen. Ze gaan dood, met miljoenen. En dat alleen maar omdat hun haren uitvallen. Ze worden kaal en daardoor zullen ze sterven. Zouden ze hun haren niet verliezen, dan lieten we deze prachtige beestjes met rust.

Maar de rupsen laten zich niet zomaar uitroeien, omdat ze met zovelen zijn. Soms hebben de mannen in de witte pakken alle rupsen uit een boom gezogen, maar als ze dan drie uur later terug komen krioelt het er weer van de harige beesten. Die sjokken gewoon weer van eik naar eik, alsof er niks aan de hand is.

Het is trouwens erg belangrijk voor een eikenprocessierups om in de rij te blijven lopen. Haal je er eentje tussenuit en zet je hem alleen, dan gaat hij snel dood. Hij heeft de anderen nodig om te overleven. Met zijn kop raakt hij voortdurend het achterwerk van zijn voorganger aan, om netjes in de rij te blijven.

Zo tegen augustus, september verdwijnen de rupsen. Ze bouwen een cocon om zich heen en beginnen aan hun grote verandering. Als ze weer uit de cocon kruipen zijn ze veranderd in onopvallend, grijzige nachtvlindertjes. Je ziet ze niet. Ze fladderen alleen 's nachts in het rond. De vlindertjes leggen eitjes. In april kruipen daar rupsen uit. Dan kunnen ze weer beginnen aan hun polonaise.