Jammerlijk falen

`Drassige velden (...), overlopende greppels, dampende koeien op nattige weiden. Een volkomen vervuild paard liet zijn hoofd hangen.' Zo deprimerend is het platteland van schrijfster Karen Duve. Zo duister ook en zo demonisch: het kwaad gedijt op vochtige plaatsen, luidt Duves motto, en vergeleken met wat er dan volgt is dat bijna een understatement.

Het vocht in de Regenroman tast hoofden aan en hersens en harten en huizen. Onherroepelijk molt het 't pasgetrouwde stel waar de schrijfster haar zinnen op zet. Duve drijft dit stel de natuur in, die niet goed is maar goddeloos. Dat weten Leon en Martina nog niet. Zij zijn afkomstig uit de verdorven stad Hamburg en hopen op het land eindelijk vrede te vinden. `Hij zou', denkt Leon bij zichzelf, `geen tijdschriftenartikelen meer schrijven maar alleen nog boeken. De dikke, zware boeken van een wijze, rijpe man. En onderwijl zou hij zijn kinderen zien opgroeien.'

De vluchtelingen, verstrikt in een criminele affaire, vinden een huis in de voormalige DDR: een droom, een koopje. Rustig gelegen aan de rand van een moeras. Met heel veel kikkers en lekker weinig mensen. Maar aan schrijven komt Leon niet toe. Het huis verrot en een verbeten strijd tegen het water begint. Dat water oefent ook een onweerstaanbare aantrekkingskracht uit. Vooral op Leon, die 's nachts door de drassigheid zompt en steeds meer op een amfibisch wezen gaat lijken. Een kikkerachtige kilte maakt zich van het huwelijk meester en Leon zet uit als een pad.

Leon is een luilak, een lafaard, een sul. Een misantroop, een zelfbedrieger, een huilebalk en een ongeliefd kind. Waar een geestverwante auteur als Doris Dörrie het moderne liefdestekort van de vrouwelijke kant beziet, daar kiest Karen Duve partij voor de man. Die snapt het minst van het leven en faalt het jammerlijkst.

Dörrie (1955) en Duve (1961) hebben allebei ervaring met het schrijven van verhalen voor glossy bladen zoals Playboy en Brigitte. Ze houden van suspense en een sappige stijl, ze zijn belust op kiene plots en schelle schokeffecten. Ze bedienen de amusementsindustrie, maar stijgen daar toch bovenuit. Want op de beste momenten zijn hun boeken satirisch en schrijnend tegelijk.

En passant neemt Karen Duve in haar debuutroman de hebberigheid van de Wessies en de serviliteit van de Ossies op de hak en niet alleen daar vermengt zich haar leedvermaak met goedhartig mededogen. Ook de ondergang van haar antiheld bejegent zij met begrip: `Zijn handen grepen in vochtigwarm moeras, klokkend sloot het zich boven zijn schedel. Wat wat het goed om modder temidden van modder te zijn. Leon zonk terug in de schoot van zijn ware moeder. En hij verliet het lichaam waarin hij zich achtendertig jaar nooit echt prettig had gevoeld.'

Karen Duve: Regenroman. Eichborn, 299 blz. ƒ41,40