Hypertrofie van een begrip

Door de kandidatuur van Frits Bolkestein voor het ambt van lid van de Europese Commisie te steunen heeft het kabinet niet geluisterd naar de inquisitoriale bezwaren van, vooral, de lijsttrekkers van PvdA, CDA en D66 bij de Europese verkiezingen. Die bezwaren kwamen erop neer dat Bolkestein een euroscepticus is.

Is een euroscepticus dan een tegenstander van een verenigd Europa? Welnee, scepsis tegenstand te noemen is een hypertrofiëring van het begrip. Een euroscepticus kan heel goed op rationele gronden voorstander zijn van Europa's eenheid zonder meteen gedreven te zijn door een vurig geloof erin. Maar Max van den Berg (PvdA) en de dames Maij-Weggen (CDA) en Van der Laan (D66) wilden kennelijk een geloofsbelijdenis van Bolkestein, en dat doet aan inquisitie denken. Twijfel is verboden.

Van Van den Berg is zo'n houding nog het merkwaardigst, want tot voor kort had niemand veel van eurogeestdrift bij hem gemerkt. In de dagen dat hij voorzitter van de PvdA was (1979-1986), wantrouwde hij, met velen van zijn linkse partijgenoten, eerder het hele streven naar Europese eenheid. Trouwens, de toenmalige politieke leider van de PvdA, Joop den Uyl, kon rustig een euroscepticus genoemd worden (al bestond dit woord toen nog niet).

Nu zegt Van den Berg wel dat hij intussen `een ander' geworden is, maar daarmee zijn zijn Europese papieren niet onmiddellijk erg kredietwaardig geworden en geven ze hem zeker niet het recht Bolkestein de Europese maat te nemen. Het lijkt erop dat zijn partij, nadat zij hem het ministerschap van Ontwikkelingssamenwerking had geweigerd en ook al zijn gooi naar het burgemeesterschap van Amsterdam en Zaanstad niet had gehonoreerd, hem dan maar hoofd van de Nederlandse socialisten in Straatsburg heeft gemaakt, waar hij kennelijk geen kwaad kan. Ook niet direct een bewijs van eurogeestdrift van de kant van de PvdA, en voor hem was Europa kennelijk vierde keus.

Trouwens, D66's Europese papieren zijn ook twijfelachtig. In 1972 ondertekende het het verkiezingsprogramma van de drie progressieve partijen PvdA, D66 en PPR, waarin staat: ,, Het streven naar een grotere eenheid van Europa (...) dient ondergeschikt te zijn aan de verwezenlijking van een progressief beleid (...).'' Met dit programma ging het kabinet-Den Uyl in zee, met Brinkhorst als staatssecretaris voor Europese zaken. D66's standpunt ten opzichte van Europa was misschien niet sceptisch, maar, getuige dat programma, er wel een van voorwaardelijke steun. Nu beweert lijsttrekster Van der Laan dat D66 de enige pro-Europese partij is. Het geheugen van D66 is kort.

De drie inquisitoren kennen blijkbaar het Franse gezegde niet: ,,Een jacobijn die minister wordt, is geen jacobijnse minister.'' Nu is Bolkestein allesbehalve een jacobijn, maar het gezegde is toepasselijk op iedereen die er een politieke opvatting op na houdt. Als politicus hield Bolkestein het politieke discours wakker (een plicht die maar al te veel politici verzaken). Waarom zou hij in een andere functie niet eveneens zijn plicht doen? Te suggereren dat hij daarin zou falen, is bijna hem van kwade trouw beschuldigen.

Maar nu de vraag of euroscepsis überhaupt nog zin heeft. Het ontstaan van de euro leek het tapijt onder de voeten van de eurosceptici te hebben weggetrokken. Dat die munt niet dadelijk de grote concurrent van de dollar werd, zoals sommigen verwacht hadden, ja dat zij zelfs gestaag in waarde daalde in vergelijking tot de Amerikaanse munt, hoefde nog niet direct hun gelijk te bevestigen. Nu evenwel niemand minder dan Romano Prodi, de aangewezen voorzitter van de Europese Commissie, dezer dagen in een onbewaakt ogenblik heeft geopperd dat Italië wel eens uit de Economische en Monetaire Unie zou kunnen vallen, heeft de euroscepsis weer nieuw voedsel gekregen. Is Prodi nu ook euroscepticus, en wat zegt het drietal dat Bolkestein op zijn huid heeft gezeten, daarvan?

Trouwens, vorige maand gaven de ministers van Financiën van de Europese Unie Italië toestemming om minder stringent de overeengekomen regels betreffende het overheidstekort toe te passen. Minister-president D'Alema suggereerde onlangs dat andere landen ook zo'n concessie zouden kunnen proberen te krijgen. Zijn degenen die vóór de totstandkoming van de EMU bezwaar maakten tegen Italië's toetreding, nu plotseling ook eurosceptici en dus rijp voor de inquisitie?

Er hebben zich de laatste dagen een paar andere zaken voorgedaan die een milde euroscepsis rechtvaardigen. In Frankrijk heeft de minister van Justitie, Elisabeth Guigou, een wetsontwerp ingediend dat politieke inmenging in gerechtelijke onderzoeken verbiedt, iets wat in Frankrijk schering en inslag was. Een ontwerp dus dat iedere rechtgeaarde Europeaan zal toejuichen. Maar wat scepsis wekt is dat dit ontwerp op sterke weerstand stuit, zowel bij rechts als bij links.

Maar waarom doet dit ook de euroscepsis rijzen? Omdat wat in andere Europese landen als vanzelfsprekend geldt in een democratie, in Frankrijk – en waarschijnlijk ook in een aantal andere Zuid-Europese landen – als een bedreiging van het primaat van de staat, dus van de politiek – ook boven het recht – wordt gezien. In werkelijkheid gaat het om de mogelijkheid politieke vriendjes te helpen of te redden.

Met andere woorden: zolang er in de Europese Unie niet één politieke cultuur heerst, blijft er grond voor scepsis. In laatste aanleg is ook de munt uitdrukking van een politieke cultuur. Vandaar dat ook de euro niet gevrijwaard is voor de gevolgen van de verschillen tussen Europa's politieke culturen. Of vinden onze inquisitoren soms dat wij, ter wille van de lieve vrede, ons maar moeten aanpassen aan de Zuid-Europese praktijken en dat degenen die daar bezwaar tegen maken, verdoemelijke eurosceptici zijn?

Ander geval: de Portugese regering heeft haar veto uitgesproken over een poging van Spanje's grootste bank, de Banco Santander Central Hispano, een belang van 40 procent te nemen in de Portugese financiële groep Mundial Confiança. Dit zou in strijd zijn met Portugals `nationale waardigheid'. ,,Portugal is geen bananenrepubliek'', zei minister-president Guterres.

Weliswaar is het waarschijnlijk dat de Europese Commissie bezwaar zal maken tegen dat Portugese veto, en misschien zal Portugal zijn verzet niet kunnen volhouden. Maar het tekent de kracht van de nationale gevoelens die er in Europa nog bestaan. Na Kosovo zouden we daar eigenlijk niet aan hoeven te herinneren, en we kunnen nog zelfs een zekere sympathie voor het Portugese achterhoedegevecht hebben: zouden wij staan juichen als de grootste Duitse bank een preponderant belang in een grote Nederlandse financiële onderneming zou krijgen?

Niet dat dan per se het Portugese voorbeeld gevolgd zou moeten worden, maar de kracht van het nationale gevoel waarvan het Portugese verzet één voorbeeld is, zou bij iedereen enige twijfel – en twijfel is een ander woord voor scepsis – moeten doen ontstaan over het automatisme van de Europese eenwording. Trouwens, dit is Portugal nog maar, een van de armste landen in de EU, maar de houding van Frankrijk tegen Überfremdung van de eigen industrie en bankwereld is precies dezelfde.

Euroscepsis is dus een heel normale houding. Het is alleen maar doordat in Engeland eurohaters eurosceptici genoemd worden – een gebruik dat eurofielen hier onnadenkend, dus dom hebben overgenomen – dat euroscepsis zowat gelijkgesteld wordt met fout in de oorlog. Gelukkig dat het kabinet niet voor deze chantage is geweken. En nu Bolkesteins beleid als lid van de Europese Commissie op zijn merites beoordelen.