Het lijkt wel toverij

Tijdens zijn reis door het vooroorlogs Indië maakte Harm Kamerlingh Onnes dagboeknotities en tekeningen. `Zó was de wereld toen, zo voelde het, zo was het werkelijk.'

De kunstschilder Harm Kamerlingh Onnes was een neef van de beroemde natuurkundige Heike Kamerlingh Onnes, die in 1913 de Nobelprijs kreeg voor het vloeibaar maken van helium en de ontdekking der supergeleiding. In 1922-23 maakte Harm een reis naar Sumatra op uitnodiging van een andere oom, Dolf Kamerlingh Onnes, die een handelskantoor had in Medan en daar een belangrijke positie bekleedde als de Nederlandse compagnon van Tjong A Fie, de majoor der Chinezen. Deze Tjong A Fie was een legendarische figuur, eigenaar van tientallen handelshuizen, plantages en fabrieken, wiens naam op Deli ook in mijn jeugd nog met ontzag genoemd werd, al was hij toen al meer dan tien jaar dood (hij stierf in 1921).

Wat niemand meer wist is dat Harm Kamerlingh Onnes (HKO van hieraf) tijdens de gehele reis, die zich ook nog uitstrekte tot China en Japan, een groot aantal brieven gestuurd had naar zijn familie in Holland. Zoals Dirk Buiskool in zijn inleiding schrijft hangt in zekere zin de schim van Tjong A Fie ook boven deze reisbrieven: het was tijdens een historisch onderzoek naar diens leven dat Buiskool het bestaan ervan op het spoor kwam; hij wist de collectie te achterhalen, bewerkte en annoteerde ze en zorgde voor publicatie.

Deze met tientallen tekeningen en foto's geïllustreerde reisbrieven zijn van een buitengewone kwaliteit. Ze vormen een oorpronkelijke beschrijving van Deli, Sumatra's Oostkust, waar ik ben opgegroeid. HKO was van de generatie van mijn vader (allebei geboren in 1893). Of dat er iets mee te maken heeft weet ik niet, maar als ik deze brieven lees is het soms of ik mijn vaders stem hoor. Het gaat dan over dingen waarover ik mijn vader heb horen spreken en waaraan ik zelf herinneringen heb: namen van plaatsen, firma's, winkels en ondernemingen, het landschap van Deli - de huizen, de bomen, de kleuren, het licht, de wildernis, de duisternis. Maar wat ik vooral herken is hoe andere mensen worden besproken; ik bedoel het soort opinies over hen, de criteria waarnaar zij worden beoordeeld - het geeft mij soms een gevoel van nabijheid zo sterk dat ik het lezen moet staken. Wat dan bij mij terugkomt zijn die bezoeken waar je als kind het doel niet van begreep - wachten en rondkijken terwijl de heren zaten te praten, te roken en te drinken in hun witte pakken. Weliswaar is HKO al bijna dertig wanneer hij zijn oom vergezelt op die zakenbesprekingen, maar waar ze het over hebben is hem even onbegrijpelijk als mij toen; hij was buitenstaander door zijn kunstenaarschap, zoals ik het was als kind, hij keek rond en registreerde wat hij zag.

Er komt natuurlijk ook bij dat hij er schetsen van maakte. De tekeningen in de tekst zijn werkelijk schitterend, het is jammer dat er geen ruimte was om ze allemaal in het boek op te nemen. HKO tekent de vooroorlogse mevrouwen en meneren met hun vooroorlogse gezichten zoals ik ze als kind zag, vaak met nauw verholen afkeer, maar altijd nieuwsgierig en met een scherp oog voor pose en gewichtigdoenerij, eigenschappen waar in het vooroorlogse Nederlands-Indië geen gebrek aan was. Lezers van nu en van de nog komende eeuwen, zo krijg ik bij dit dagboek soms de neiging uit te roepen, kijk naar die tekeningen, kijk dan, zó was de wereld toen, zo voelde het, zo was het werkelijk.

Doerian

Wat mij natuurlijk ook beïnvloedt is het besef dat mijn vader en moeder zich daar toen bevonden, lijfelijk, een vreemd en onbekend eigen leven leidend in mijn geboorteland; 1922, 1923 - jaren die iets onbestaanbaars hebben omdat ik zelf nog niet bestond, maar die ik ken uit familiealbums, met geheimzinnige foto's waar al dingen op voorkomen die ik herken uit mijn jeugd, en die dus blijkbaar op dat tijdstip alvast waren klaargezet.

Zulke foto's komen ook voor in dit dagboek: het is diezelfde wereld, ik herken van alles, bijvoorbeeld de naam van Notaris Dijkstra in Medan: dat is de notaris bij wie mijn ouders hun testament lieten maken toen ik geboren werd. HKO tekende zijn portret (blz 76) en noteerde: `De Notaris - is een klein mannetje ± 28 jaar. Eet en drinkt wél te veel, maar schijnt bijzonder pinter en geschikt voor z'n vak.` Ik lees het als een voor mij bedoelde persoonlijke boodschap. Een ander detail dat mijn aandacht trekt is dat de scheepsdokter in Jean Christophe zit te lezen: deze 10 delen van Romain Rolland waren jarenlang mijn vaders lievelingslectuur. Op dat tijdstip zijn deze boeken zowat 10 jaar oud. Ook een dwangmatige bezigheid is het bestuderen van de foto's om het nummerbord te ontcijferen van Oom Dolfs auto: BK 1645; dankzij dezelfde vergrootglastechniek weet ik ook het nummer van onze eigen auto in mijn kinderjaren: BK 4832 (er zijn dus vermoedelijk in ± 15 jaar ten minsten 3000 auto's bijgekomen). Ook nu nog beginnen de autonummers op Sumatra's Oostkust met de letters BK, de initialen van mijn moeder.

De brieven hebben een herkenbare eigen toon; de formuleringen variëren van goed tot opvallend goed, ziehier bijvoorbeeld hoe HKO zich kwijt van iets berucht lastigs, het beschrijven van de smaak van een zekere tropische vrucht: `Vanavond at ik voor het eerst een doerian. Hij riekt naar Limburgse kaas. De eerste hap denk je aan zoete prij, maar dan komt er een liqueursmaakje bij, heel fijn, maar wel machtig. Groote pitten waaromheen witte draderige room zit, die je er af zuigt.`

Schoollei

Het zijn ook de opvallende observaties die de brieven zo levendig maken. Bijvoorbeeld, in de beschrijving van een autotocht naar Brastagi, een zin als:

`nauwe dicht begroeide ravijnen, waar 't kil is en ruikt naar een natte school-lei..` Een natte school-lei! Ik realiseer me mismoedig dat de meeste mensen al niet meer weten hoe die er uitzien, laat staan hoe ze ruiken. De beschrijving vervolgt: `Nu zit ik in Hôtel Berastagi, dat bijzonder keurig en frisch is, heelemaal van hout gebouwd..`

Het is niet alleen dat ik de stad B(e)rastagi zo goed ken - ik zat er op een internaat dat later Interneringskamp werd - maar een sterk gevoel van herkenning heb ik ook bij ontboezemingen als: `Er waait hier wind, in lang niet gehoord, 't ruischen van boomen, die maken veel lawaai, die groote lange bladen ritselen zoo in 't donker...' Onmisbare informatie hierbij is dat het in Indië, Indonesië, op de laagvlakte in elk geval, weinig waait. Maar er is ook nog iets dat wordt opgeroepen door dat 'heelemaal van hout gebouwd'. Het toenmalige Brastagihotel is namelijk vier jaar nadat HKO dit schreef verbrand; op mijn moeders 27ste verjaardag, 22 September 1927. Het is al snel daarna herbouwd, en dat was het hotel dat ik gekend heb, met het zwembad waar we elke Zondagochtend na de kerkdienst met het hele Internaat gingen zwemmen.

Dat zwembad is het enige dat er nu nog van over is. Ook dat tweede hotel is namelijk in vlammen opgegaan, in 1946, tegelijk met het Internaat, waarmee in vervulling ging wat ik als kind zo vaak en zo vurig heb gewenst. Net als het Internaat was het tweede hotel niet helemaal, maar wel grotendeels van hout; de stenen funderingen liggen er nog, overgroeid en onherkenbaar. Zo zijn sommige dingen die in dit boek worden beschreven verdwenen. Maar al met al is er toch nog vrij veel van over, waaronder het huis van Tjong A Fie aan de Kesawan. Toen ik het 't laatst zag, bij mijn bezoek aan Medan in 1994, lag het er verlaten bij. De ingangspoort met de gouden karakters was bedekt door een dikke laag witkalk, ongetwijfeld als gevolg van het verbod op Chinese opschriften, dat geloof ik al van Soekarno dateert, en in elk geval onder het regime van Soeharto nog streng werd gehandhaafd.

De tweede helft van het boek behelst de beschrijving van een zeereis maken naar Pinang, Singapore, China en Japan. Het gevoel door mijn vaders ogen te kijken blijft, het is of daar alsnog gebeurt wat mijn ouders zo vaak van plan waren maar nooit hebben gedaan (de oorlog kwam er tussen). Soms is het mij zelfs te moede of het mijn eigen waarnemingen waren, dat komt door die magische tekeningen in de tekst; ik denk bijvoorbeeld aan het gezicht van Seng Liong en vooral dat van Lim Ni Ka (blz 168 & 169); dat komt voor mij zo dicht bij een gezicht dat ik met eigen ogen heb gezien dat het werkelijk iets heeft van toverij. Als ik er lang naar kijk hoor ik zelfs de stem erbij.

Het bijzondere van de tekeningen van HKO is iets dat door buitenstaanders misschien als vanzelfsprekend wordt aanvaard, namelijk de juiste weergave van Aziatische gezichten. Door alle eeuwen heen hebben Westerse kunstenaars daar moeite mee gehad; meestal lukt het ze niet, zoals het Aziatische kunstenaars ook meestal niet lukt om een Westers gezicht weer te geven zonder dat de trekken iets Aziatisch krijgen. Maar ook in andere opzichten zijn de tekeningen ongelofelijk, ik denk bijvoorbeeld aan de intelligente weergave van technische details; wat dat betreft herinnert het manuscript soms aan een Codex van Leonardo da Vinci, zie bijvoorbeeld blz. 196, 222 en vele andere.

Een bijzonder boek, dat een idee geeft van hoe gecultiveerd en belezen de mensen waren, of althans sommige, in mijn vaders tijd. Indrukwekkend is ook het gemak waarmee HKO een éénmaal gehoorde melodie kon opschrijven, en kennelijk nog in de oorspronkelijke toonaard ook.

Harm Kamerlingh Onnes overleed in 1985; hij was toen tamelijk bekend als schilder. Een aantal van zijn schilderijen is op het ogenblik te zien op een tentoonstelling in de Lakenhal in Leiden: ik was verrast door hun kwaliteit. Maar wat mij nog sterker trof was te lezen dat hij de maker was van het grote glas-in-loodraam in het gebouw van het Algemeen Handelsblad aan de N.Z.Voorburgwal in Amsterdam, waar ik honderden malen langs ben gelopen zonder te weten dat het van hem was.

De Reis van Harm Kamerlingh Onnes. Brieven uit de Oost 1922-1923. Ingeleid en geannoteerd door Dirk Buiskool. Uitgeverij Verloren, Hilversum 1999, 280 p.

De meeste Westerse kunstenaars kunnen Aziatische gezichten niet weergeven. Kamerlingh Onnes wel

Als ik deze brieven lees is het soms of ik mijn vaders stem hoor