Het geworstel van een meeloper

In oktober 1933 verhuist Victor Klemperer, hoogleraar Romaanse filologie aan de Technische Hochschule Dresden, met zijn vrouw Eva naar Dölzschen, een idyllisch dorp in de heuvels even buiten de stad. Hij heeft er een kleine villa laten bouwen, waarin hij tot zijn dood in 1960 bijna onafgebroken zal wonen. De professor richt zijn boekenkast in en zet zijn studie van de Franse Verlichting voort. Zijn vrouw, die geheel opleeft nu ze weg is uit het stoffige en lawaaiige Dresden, stort zich vol overgave op het zaaien en wieden in haar nieuwe tuin.

Wie vergeet dat de nazi's aan de macht zijn en Klemperer een jood is, klinkt het als een pastorale in de oren. Maar het is er een van korte duur. Want van de ene dag op de andere verandert de gerespecteerde hoogleraar in een paria, die door bijna iedereen wordt uitgekotst. Hij verliest zijn baan, zijn villa en zijn bibliotheek, en wordt regelmatig door de Gestapo met de dood bedreigd. Zijn enige geluk is dat het concentratiekamp en de gaskamer hem bespaard blijven, omdat hij getrouwd is met een niet-joodse vrouw en zich al in zijn jeugd tot het protestantisme heeft bekeerd. De Klemperers belanden in een `Judenhaus', waar ook andere onteigende en gemengdgehuwde joden wonen. De geleerde moet dwangarbeid in de straten van Dresden verrichten en lijdt onder de onzekerheid over zijn lot: iedere dag kan zijn doodvonnis alsnog worden getekend.

Slechts zestig van de bijna 5000 Dresdener joden overleven de oorlog. Klemperer is een van hen. Desondanks zou vandaag de dag bijna niemand van zijn bestaan op de hoogte zijn, als hij geen dagboek had bijgehouden waarin hij minutieus verslag deed van zijn wederwaardigheden in het Derde Rijk. Toen dit egodocument in 1995 verscheen, was Klemperer al 35 jaar dood. Toch werden er meer dan 160.000 exemplaren van verkocht, niet in de laatste plaats doordat er zoveel fatsoenlijke Duitsers in voorkomen die de vervolgde hoogleraar een hart onder de riem steken. Klemperer is sindsdien de Paradierjude van het `andere' nazi-Duitsland. Zijn dagboeken vormen de beste verdediging tegen debeschuldiging van de Amerikaanse politicoloog Daniel Goldhagen als zou het antisemitisme alle Duitsers aangeboren zijn.

De afgelopen jaren zijn ook de overige autobiografische geschriften van Klemperer gepubliceerd. Tezamen vormen zij een kaleidoscopisch beeld van het leven van een geassimileerde joodse intellectueel voor wie, tot zijn ontgoocheling in 1933, het Deutschtum de basis van zijn bestaan vormt. En in zekere mate was Klemperer representatief voor de joodse bourgeoisie in Duitsland.

Bevrijders

Onlangs verscheen het dagboek uit Klemperers laatste levensfase, de periode 1945-'59, onder de veelzeggende titel So sitze ich denn zwischen allen Stühlen. Opnieuw is het fascinerende literatuur. Haarscherp wordt beschreven hoe iemand uit pure wanhoop en angst kan veranderen van een weerloos slachtoffer van de nazi-dictatuur in een vooraanstaand vertegenwoordiger van een eveneens onderdrukkend regime.

Na afloop van de oorlog blijft Klemperer in Dölzschen wonen. Vol nieuwe energie wijdt hij zich opnieuw aan de wetenschap. Gesterkt door zijn ervaringen onder Hitler wil hij echter ook het nieuwe Duitsland helpen opbouwen. Daartoe sluit hij zich aan bij de communistische partij – om de simpele reden dat hij het communisme beschouwt als de minste van twee kwaden. Bovendien heeft hij een grote bewondering voor zijn bevrijders, de Russen. Als lid van de Kulturbund zur demokratischen Erneuerung Deutschlands, een beweging van welwillende intellectuelen die hun land na twaalf duistere jaren weer willen laven aan de bronnen van de cultuur, reist hij als een ambassadeur van het humanisme het hele land door om lezingen te geven over Goethe, Schiller, Voltaire, Montesquieu.

Na enige tegenwerking – hij wordt aanvankelijk niet erkend als `slachtoffer van het fascisme' omdat hij niet in een concentratiekamp heeft gezeten – krijgt hij zijn leerstoel aan de TH terug. Later volgen benoemingen in Greifswald, Halle en tenslotte aan de Humboldt Universiteit in Oost-Berlijn. Het gaat almaar bergopwaarts met zijn carrière. Klemperer wordt lid van het parlement en de prestigieuze Academie van Wetenschappen, en laat zich rondrijden in een auto met chauffeur. Binnen de kortst mogelijke tijd is Klemperer een van de cultuurbonzen van het nieuwe Duitsland.

Opnieuw klinkt het als een pastorale, en dit keer lijkt het er één die oneindig lang kan duren. Desondanks klinken ook nu de dissonanten: er is iets vreemds met Klemperer aan de hand, dat alleen kan worden opgemerkt door de lezer van zijn dagboek die tenslotte getuige is van zijn intiemste zieleroerselen. Door zijn ervaringen in het Derde Rijk is Klemperer namelijk niet meer in staat zijn medemens te vertrouwen. Iedereen kan morgen tegen je zijn, lijkt hij voortdurend te denken. De sympathieke en wijze Klemperer, zoals je hem kent uit de nazi-jaren, verandert op het eerste gezicht in een laffe meeloper die uit is op hoge posities in de academische wereld. Tegelijkertijd ben je geneigd hem die onaangename eerzucht en lafheid te vergeven, omdat je weet hoe ellendig hij zich voelt bij alles wat hij doet. Want terwijl hij in het openbare leven een enthousiast aanhanger van het communisme is, worstelt hij in zijn dagboeken voortdurend met zijn twijfels over datzelfde communisme. Zijn keuze lijkt alleen te worden bepaald door angst en door het besef dat hij nu eenmaal geen kant op kan. Vluchten naar West-Duitsland is voor hem geen alternatief: er zitten daar teveel voormalige hoge nazi's op belangrijke posities (zo is de rechterhand van de West-Duitse bondskanselier Adenauer de opsteller van de Neurenberger rassenwetten).

Het dagboek toont de mens Klemperer in al zijn zwaktes en het houdt iedereen die het leest een spiegel voor, want wat zou je zelf hebben gedaan als je in zijn omstandigheden had verkeerd. Geboren helden zijn nu eenmaal schaars.

Klemperers omgeving komt er evenmin rooskleurig vanaf. Zo blijkt iedereen in het door de Russen bezette deel van Duitsland ineens fel tegenstander van de nazi's te zijn geweest en in het verzet te hebben gezeten. Klemperer wordt overspoeld met verzoeken om ontlastende verklaringen te schrijven (`Weet u nog, professor Klemperer hoe ik u toen geholpen heb?'). Het siert hem dat hij dat in sommige gevallen ook doet en de houding van veel `gewone' nazi's weet te relativeren. Maar ondanks zijn scherpe oordeel over zijn voormalige tegenstanders houdt hij zich doof voor de dissidente geluiden onder het gewone volk, dat nu honger lijdt en de nieuwe communistische elite veracht.

Schokkend is dat hij zich, uit ijdelheid, voortdurend laat gebruiken voor propagandadoeleinden. Zo is Klemperer degene die in 1950 in het parlement het Friedensgesetz mag voorlezen, de wet die bepaalt dat iedere kritiek op de DDR strafbaar is. Hij ontvangt daarop een anonieme brief van een vroegere student die zijn handelen afkeurt: `U weet toch precies wat het totalitairisme achter zijn coulissen voorstelt?' Zelf noteert Klemperer beschaamd: `Ik wil communist en lid van de SED zijn, maar wat de partij op cultureel gebied doet is vaak zo totaal verkeerd. Maar wat men in het Westen doet, staat mij nog 1000 keer meer tegen.' En daarmee is de kous voorlopig af.

Zelfbedrog

In 1950, de DDR is nog geen jaar oud, schrijft Klemperer, naar aanleiding van zijn bezoek aan een partijcongres, over zichzelf: `Het is als in Neurenberg, maar dit keer ben je zelf bij de partij en aan de top'. Het is een bewustzijn dat niet verhindert dat hij nog talloze keren in eenzelfde val stapt als veel van zijn landgenoten in de Hitlerjaren deden. Een ander tekenend voorbeeld van dat zelfbedrog is zijn bewondering voor Stalin, die op een gegeven moment zo'n omvang bereikt dat hij – de non-politicus bij uitstek – stalinistische theorieën opneemt in zijn boeken over de Franse literatuurgeschiedenis. Als Stalin in 1953 sterft, houdt Klemperer zelfs een lofrede voor zijn studenten. Stalin is net zo'n genie als Alexander de Grote, Caesar en Napoleon. `Maar in tegenstelling tot hen stond hij geheel in dienst van de mensheid'.

Toch lukt het Klemperer niet zijn blik blijvend van de bittere werkelijkheid af te wenden. Langzaamaan dringt tot hem door dat het met de vrijheid in de DDR net zo slecht gesteld is als in het Derde Rijk. Wie geen lid is van de partij krijgt geen huis en geen behoorlijke baan. Wie het in het openbaar niet eens is met de officiële partijlijn verdwijnt achter slot en grendel. Pas als op een gegeven ogenblik zijn eigen wetenschappelijke werk niet door de censuur komt, omdat het te weinig socialisme-realisme bevat, en hij geen toespraken meer mag houden op de Humboldt Universiteit in Berlijn (zijn colleges gaan te weinig over politiek), begint hij tot inkeer te komen.

Ook Klemperers privéleven kent grote beroering. In 1951 overlijdt zijn vrouw Eva, die al jaren aan allerlei kwalen leidt, aan een hartaanval. Klemperer wordt nu overmand door schuldgevoel en twijfelt voor het eerst ook aan zijn academische ambities. Tegelijkertijd raakt hij in paniek. `Hoe moet ik nu verder? Wie zal er voor mij zorgen? Wat heeft mijn bestaan nog voor zin?' vraagt hij zich voortdurend af. Het zijn misantropische woorden, die als sneeuw voor de zon verdwijnen als hij kort daarna het felbegeerde hoogleraarschap aan de Humboldt Universiteit en een eredoctoraat in Dresden krijgt.

Showproces

Ook raakt hij tot over zijn oren verliefd op een van zijn studenten, een devoot katholiek meisje uit een fel anticommunistisch gezin. Zij laat hem die andere DDR zien, waarin mensen kritiek hebben op het systeem en hun land als een strafgevangenis beschouwen. Nu kan hij niet meer doen alsof zijn neus bloedt. Eerst probeert hij zichzelf nog wijs te maken dat hij niet uit de partij kan stappen, omdat juist fatsoenlijke mensen als hijzelf haar van binnenuit kunnen hervormen. Maar na het showproces in 1952 tegen Rudolf Slánský, de (joodse) leider van de Tsjechoslowaakse communistische partij, het antisemitisme dat hierna in de DDR op gang komt, en de opstand in Hongarije in 1956, is ook die hoop vervlogen. Het lukt hem nu niet meer zich in alle mogelijke bochten te wringen om zijn definitieve oordeel over de socialistische heilstaat uit te stellen. Als in de DDR talrijke hervormingsgezinde intellectuelen worden gearresteerd is zijn ontgoocheling compleet.

Inmiddels heeft de destalinisatiegolf uit Moskou de DDR bereikt. Er ontstaat nueen vrijer klimaat. Klemperer krijgt toestemming om enkele maanden in Parijs onderzoek te doen. Hier leest hij in Le Monde over de geheime rede van Chroesjtsjov op het 20ste partijcongres, waarin een boekje wordt opengedaan over de massamoorden die op bevel van Stalin zijn gepleegd.

Tijdens een officieel bezoek aan Peking in 1958, waar hij als afgezant van de Oost-Duitse regering de viering van de Chinese revolutie bijwoont, ziet hij hoe de communistische leiders hier korte metten hebben gemaakt met alles wat naar beschaving riekt. In zijn dagboeken durft hij eindelijk op te merken dat hij een ongelovige is geworden. Het is een loutering die hem in zijn laatste levensjaar nog wanhopiger maakt. Ook geeft hij nu eindelijk toe waarom hij de DDR zo trouw is: `Hier ben ik iemand, hier ben ik rijk, hier ben ik vir doctissimus. Wat van dat alles zou ik in het Westen zijn?' Iets vergelijkbaars zullen veel meelopers in de nazi-tijd hebben gedacht.

Victor Klemperer: So sitze ich denn zwischen allen Stühlen. Tagebücher 1945-1959. Aufbau-Verlag, 1822 blz. ƒ112,70