Hergebruik van fait divers

In zijn essaybundel Nacht- en dagwerk (1998) betoogde Martin Reints dat `Waar ben ik?' de meest elementaire vraag is die we onszelf kunnen stellen. Het is de vraag die in je oprijst als je bijkomt uit bewusteloosheid, uit een verdoving, of wanneer je wakker wordt. De vraag zelf, aldus Reints, is pogen tot bewustzijn te komen. Ook voor K. Michel blijkt `Waar ben ik?' een levensvraag. In Waterstudies, zijn derde poëziebundel, wijdt hij er een gedicht aan. `Dwars' heet het, en in een dertigtal regels toont het hoe wonderbaarlijk onvolmaakt het menselijk vermogen tot plaatsbepaling is.

Ooit hanteerden Polynesiërs

om hun koers te zoeken op de Stille Oceaan

kaarten gemaakt van dunne stokken

die nog het meest lijken op bamboerekjes

om klimbonen mee op te binden

En Canadese indianen sneden houten kustkaarten

die eruitzien als Beierse kurkentrekkers

Afhankeljk van de legenda

kan kortom alles een kaart zijn:

handpalmen, oogirissen, moedervlekken

en de vertakkingen in de plooien

van een opengewoeld bed

Zo blijkt als de slaper

eindelijk is wakker geschud

ook lang na het ontwaken

'waar ben je?' de vraag

Zoals Martin Reints is ook K. Michel een denkend dichter. Zijn poëzie is allerminst gespeend van beelden, maar er is aldoor een filosofische, of op z'n minst essayistische ondertoon. Dat suggereert ernst, maar bij Michel overheerst juist lichtvoetigheid. De metaforen in zijn verzen koketteren gretig met triviale informatie. En anders dan bij echte filosofen is het mechaniek van zijn teksten niet de ratio maar de associatie.

Meer nog dan in Ja! naakt als de stenen (1989) en het met de Herman Gorterprijs bekroonde Boem de nacht (1994) toont Michel in zijn nieuwe bundel een uitgesproken voorkeur voor het `indirecte'. Het vier pagina's lange gedicht `Over het zoeken naar nieuwe wegen zoals verhaald door Gerrit de Veer' eindigt met een strofe over de kou op de Noordelijke IJszee in januari 1597. Hoe hevig het in die contreien kon vriezen had De Veer al in een passage over september 1596 geconstateerd: `het vroor zo hevig dat het vel bleef hangen / als we een spijker in de mond namen.' Maar in januari overwinterden de mannen in een houten huis, en daarmee werd de vrieskou een buitengebeuren. Om te weten te komen hoe de wind stond staken De Veer en zijn mannen een vlaggetje uit de schoorsteen:

maar we moesten wel meteen kijken welke kant

het uit waaide, want zodra het naar buiten stak

was het stijf bevroren en kon niet meer draaien

of uitwaaien zodat we tegen elkaar zeiden:

`Wat moet het buiten geweldig koud zijn'

Er wringt iets in het woord `zodat' in de voorlaatste regel. Het verband tussen dat stijve vlaggetje en wat de overwinteraars zeiden is misschien wel logisch, maar ik vind het komisch indirect. K. Michel heeft een scherp oog voor zulke schuinse sporen in literatuur en werkelijkheid. Het merendeel van zijn gedichten berust dan ook op gemengde berichten, het soort `faits divers' dat populaire dag- en weekbladen als bladvulling gebruiken en dat vroeger op de wikkels van drop en kauwgom stond. Michel haalt zulke gemengde berichten uit hun oorspronkelijke kader en isoleert ze, of geeft ze een nieuwe, metaforische context.

Hoe vervreemdend isolatie van een tekst kan werken blijkt uit `Konvooi op drift'. Dit gedicht verhaalt hoe negenentwintigduizend felgekleurde speelgoedbeesten op zee overboord zijn geslagen en sindsdien op hun drift worden gevolgd door oceanografen die het zeegedrag in kaart willen brengen. Als een heuse wetenschapsjournalist zet K. Michel ruim twintig regels lang de feiten op een rijtje. En ook de vier slotregels lijken onderdeel van een exacte berichtgeving:

Volgens stromingsdeskundige Curtis Ebbesmeyer

lopen de beesten bij dit experiment geen enkel gevaar

`Ze zijn veerkrachtig en kunnen zelfs

de zwaarste ontberingen doorstaan'

Maar hoe exact is dit nog? Speelgoedbeesten worden als levende proefpersonen becommentarieerd. Daarmee krijgt de tekst een paradoxale wending, en wordt het bericht tot gedicht.

Michels poëzie toont verwantschap met de `ready-mades' uit het Barbarber-tijdperk. Maar `Over het zoeken naar nieuwe wegen' en `Konvooi op drift' zijn meer dan langademige citaten. Ze zijn complexer - niet in de laatste plaats door Michels listige selectie en herformulering. Zijn werkwijze is trouwens verifieerbaar, want de bronteksten zijn verantwoord: De Veers Waerachtighe beschryvinghe van drie seylagien, en artikelen in Earth in Space (oktober 1994) en NRC Handelsblad (21 november 1994).

Wat ik in Waterstudies bewonder is dat Michel mij herhaaldelijk de illusie geeft dat ik de eerste ben die zich over de door hem gepresenteerde informatie verbaast. Dat komt vooral door zijn wat droge, haast journalistieke formulering. Zelfs in zijn eigen associatieve strofen dringt de dichter zich niet op. Maar de poëtische werking blijft onverlet. In `Geval driehonderdacht' noteert de dichter droogweg - maar trefzeker - wat hij onder ogen kreeg en welke asociaties dat bij hem opriep. Het onderwerp is zo romantisch als de maneschijn, terwijl de associaties in de laatste strofe niet aardser konden. En toch is het niet de trouvaille van die hysterisch neergepende liefdeskreet die het gedicht maakt. Dat doet het contrast van de beeldende slotregels.

K. Michel: Waterstudies. Meulenhoff, 45 blz. ƒ29,90