Francis Fukuyama: The end of history and the last man, 1992

Het kan niemand zijn ontgaan: de laatste vijfentwintig jaar vielen verspreid over vier continenten de dictaturen als rijpe appels uit de boom. Van Portugal tot Chili, van Hongarije tot Zuid-Afrika en van Estland tot Indonesië zijn de autoritaire regimes van `links' en `rechts' ineen gestort. Was dat louter toeval of een wetmatigheid, een doelgerichte beweging van de geschiedenis? Zijn we op weg naar een algehele overwinning van de liberale democratie en nu op het eindpunt van de ideeëngeschiedenis aangekomen?

Francis Fukuyama publiceerde in het revolutiejaar 1989 een essay getiteld The End of History? waarin hij deze vraag met een hartgrondig `ja' beantwoordde. Een storm van reacties over de gehele wereld werd zijn deel. Dat was in zekere zin het beste bewijs voor zijn stelling. Dit debat maakte namelijk een gemeenschappelijke ervaring zichtbaar. Later werkte Fukuyama zijn essay om tot een omvangrijk boek. The end of history and the last man werd zo de eerste studie, die de monumentale val van het communisme op een werkzame manier wist te duiden en te dramatiseren.

Fukuyama wil het gebrek aan zelfvertrouwen in de Westerse wereld weerspreken en de `relativistische impasse van het moderne denken' doorbreken. Daartoe keert hij terug naar de Franse Revolutie en het idee van een universele geschiedenis. Hij baseert zich vooral op de gedachte dat de geschiedenis een doel heeft en dus ook een eindpunt. De auteur beroept zich op een interpretatie van Hegel die dit `einde' zag in de Slag bij Jena (1806), waar het Pruisische leger door Napoleon verpletterend werd verslagen: `Hij bedoelde dat de principes van vrijheid en gelijkheid die ten grondslag lagen aan de moderne liberale staat, in de hoogst ontwikkelde landen ontdekt en verwezenlijk waren, en dat er geen alternatieve principes of vormen van sociale en politieke organisatie waren die het liberalisme overtroffen.'

De kern van The end of history and the last man is Fukuyama's analyse van de wetmatigheden die richting van kapitalisme en liberale democratie dwingen. Er zijn twee grote gelijkmakende krachten in de wereldgeschiedenis aan het werk: de ontwikkeling van de moderne natuurwetenschappen en de 'strijd om erkenning'.

Zijn beschouwingen over de groei van de natuurwetenschappen vormen de ruggengraat van zijn opvatting over een doelgerichte geschiedenis. Ze zijn een niet bijster originele versie van het vooruitgangsdenken en vallen vooral op door een tamelijk zorgeloze benadering van de moderne technologie. De schaduwzijden daarvan lijken niet echt aan Fukuyama besteed.

Belangwekkender zijn Fukuyama's ideeën over democratie. Hij maakt een duidelijk onderscheid tussen markteconomie en liberale democratie. De snel groeiende markteconomieën van Zuidoost-Azië zijn volgens hem een bewijs dat beide niet noodzakelijk hoeven samen te gaan. Wellicht ziet hij in de crisis, die zich sindsdien meester heeft gemaakt van die regio, een aanwijzing dat paternalisme op den duur onverenigbaar is met een hoog ontwikkelde markteconomie.

Toch heeft de keuze voor democratie volgens Fukuyama weinig met economie en consumptief verlangen te maken. Een ander motief domineert. `Mensen zijn niet alleen uit op materieel comfort, maar ook op respect en erkenning, en ze menen dat ze respect waard zijn omdat ze een zekere waarde of waardigheid bezitten. Een psychologische of politieke theorie waarin geen rekening wordt gehouden met het verlangen naar erkenning en de incidentele, maar duidelijke bereidheid bij de mens om zelfs tegen zijn sterkste natuurlijke instinct in te gaan, zou een verkeerd beeld geven van het menselijk gedrag'. Fukuyama onderscheidt een extreme variant (`het verlangen erkend te worden als superieur aan anderen') en een gematigde variant (`het verlangen te worden erkend als gelijke van anderen').

Het wezen van de liberale democratie is dat de wil tot onderwerpen uit het domein van de politiek wordt verbannen. Ongeremde ambitie wordt gesmoord in het democratische verlangen naar erkenning als gelijke. In de grote emancipatiebewegingen is dit streven stap voor stap zichtbaar. De liberale democratie is dan ook de ultieme beschavingsvorm. Verbetering is altijd mogelijk, maar behelst niets anders dan een consequente toepassing van de beginselen van deze politieke cultuur.

Door zo elke ontsnapping in nieuwe vergezichten af te sluiten, dwingt Fukuyama ons tot nadenken over de innerlijke tegenspraken van de liberale democratie. Veel van de aanvankelijke zekerheden worden zo weer op losse schroeven gezet. Er zijn grote twijfels over de duurzaamheid van ons type samenleving: ondermijnt het liberalisme op den duur niet de gemeenschapszin waarop het gebouwd is, zullen oorlogen werkelijk zijn uitgebannen tussen liberale democratieën en zal de matiging van een voltooide democratie niet bezwijken onder meeslepender politieke perspectieven?

In het laatste deel van zijn boek zoekt Fukuyama een antwoord op deze vragen. Hij onderscheidt rationele vormen van erkenning, dat wil zeggen de liberale democratie, en irrationele vormen van erkenning, zoals religie en nationalisme. Deze zijn irrationeel omdat de scheidslijnen tussen groepen van mensen willekeurig zijn en haaks op het liberale denken met zijn universele roeping staan. In navolging van Tocqueville moet hij echter bekennen dat deze `irrationele' vormen van erkenning de gemeenschapszin voortbrengen die een democratie nodig heeft om te overleven. Fukuyama weet dat het liberalisme, met zijn gelijkmakende werking, tradities afbreekt en individualisme bevordert. Het is dus onzeker of het liberalisme aan zichzelf genoeg heeft.

Ten slotte confronteert Fukuyama zijn `einde van de geschiedenis' met Nietzsches verzet tegen een samenleving die niet meer groots en meeslepend leeft. Hier duikt `de laatste mens' op in het betoog. Voor Nietzsche is de laatste mens de zegevierende slaaf. Volgens Fukuyama stelt hij zo de onontkoombare vraag: is `universele erkenning' eigenlijk wel de moeite waard. `Is de kwaliteit van de erkenning niet veel belangrijker dan de universaliteit ervan? En wordt die erkenning niet gebanaliseerd en gedevalueerd als ze universeel is?'.

Welke hartstocht kan zo'n samenleving van gelijken nog oproepen? Tolerantie kan makkelijk tot een dictatuur van de middelmaat leiden. Wie zal nog iets durven veroordelen? Hier stuit Fukuyama dan ook op de grens van zijn redenering: `Maar de ontevredenheid ontstaat juist daar waar de democratie volledig heeft gezegevierd: het is dan een ontevredenheid met vrijheid en gelijkheid. De mensen die nog steeds ontevreden zijn, kunnen de geschiedenis altijd opnieuw beginnen'. Kortom, `het einde van de geschiedenis' moet men niet letterlijk nemen, een fout die vele critici maakten.

Aan het einde van zijn verkenning begrijpt Fukuyama de desoriëntatie in het Westen ná de Koude Oorlog. Dat gevoel van onbehagen keert met alle kracht terug in zijn boeken die sindsdien zijn verschenen: Trust (1995) en The Great Disruption (1999). Opnieuw gaat het om de vraag naar de zelfvernietigende kracht van kapitalisme en liberalisme en zoekt Fukuyama naar manieren waarop het in eeuwen opgebouwde sociale kapitaal kan worden bestendigd. Hoe ontstaat `vertrouwen' in een samenleving en waarom zijn er in het Westen zoveel aanwijzingen dat het daaraan nu ontbreekt? Hij beschrijft het verval van het traditionele gezin, de groeiende misdaad, een misplaatst bejubelen van multiculturalisme en een afnemend vertrouwen in de overheid. Fukuyama komt zoveel aanwijzingen van moreel verval op het spoor dat men zich afvraagt hoe dwingend de zegetocht van de liberale democratie dan wel is.

In The Great Disruption probeert Fukuyama beide waarnemingen te verzoenen. De geschiedenis van politiek en economie kent een duidelijke richting. Voortgedreven door natuurwetenschappelijke technologie en het streven naar erkenning als gelijke, wijst de historische ontwikkeling in de richting van een langzaam maar zekere verbreiding van de liberale democratie. Het vooruitgangsgeloof heeft recht van spreken. Tegelijkertijd is er een andere geschiedenis: die van samenleving en moraal. Deze wijst niet in één richting, maar is cyclisch. Er zijn perioden geweest dat de maatschappelijke samenhang zwaar onder druk stond, waarna een beschavingsoffensief volgde. Hij wijst op het Victorianisme als reactie op de morele ontworteling door de industrialisering in de tweede helft van de 19de eeuw. Ook nu ziet Fukuyama de eerste tekenen van een nieuw beschavingsoffensief tegen de morele verwarring die de overgang naar een informatiemaatschappij oproept.

Deze `verzoening' van het vooruitgangsdenken en een cyclische opvatting van de geschiedenis wringt. Maar de roep om een moreel `reveil' toont aan dat het liberalisme niet op eigen benen kan staan. Fukuyama is zijn eerste boek over het `einde van de geschiedenis' trouw gebleven en heeft ten overvloede geïllustreerd dat de these die hem in één klap beroemd en berucht maakte, allerminst een uiting van triomfalisme na de Koude Oorlog was geweest, zoals velen overhaast concludeerden.

Francis Fukuyama: The End of History and the Last Man. Avon Books, ƒ37,70 (pbk).

Francis Fukuyama: Het einde van de geschiedenis en de laatste mens. Contact (1993), ƒ24,90. Uitverkocht.