Filosofie in de badkamer

Op een dag wordt je man ontvoerd en kom je erachter dat je helemaal niet weet wie hij was. Je hebt je al zolang niet meer in elkaar verdiept dat hij een vreemde voor je is geworden. Geen idee dat hij graag naar 06-lijnen belde en dat hij zich al jarenlang ophield met corruptiepraktijken. Dit overkomt Lucía, de hoofdpersoon van De dochter van de kannibaal. Ze belandt erdoor in een midlife crisis. Ineens dringt tot haar door wat ze eigenlijk allang wist: haar huwelijk was een farce, en met haar werk als kinderboekenschrijfster heeft ze ook al geen succes. De plichtmatige contacten met vrienden en familie verstikken haar. De enigen die ze om zich heen verdraagt, zijn twee buurmannen die min of meer bij haar intrekken: een oude anarchist en een twintiger. Zij helpen haar bij de pogingen om haar man terug te krijgen, iets waar overigens geen van drieën echt belang bij heeft. Lucía niet omdat het leven zonder haar man eindelijk inhoud begint te krijgen, en de twee buurmannen niet omdat ze in Lucía een vriendin en bondgenoot in de eenzaamheid hebben gevonden.

De Spaanse schrijfster en journaliste Rosa Montero, van wie al eerder werk in Nederlandse vertaling verscheen, heeft rondom dit gegeven een vrolijk, maar gelaagd boek geschreven. De oude anarchist zit vol verhalen over zijn avontuurlijke verleden, met wijze levenslessen. Zijn boeiende betogen geven inzicht in bloei en neergang van het Spaanse anarchisme aan het begin van deze eeuw. Soms treedt Montero in de fragmenten waarin de oude man aan het woord is, wat erg in historische details. Maar dat wordt ruimschoots gecompenseerd door de spraakwaterval van Lucía, die haar eigen leven aan een nietsontziend onderzoek onderwerpt. Ze slaagt erin met verrassend grote afstand naar zichzelf te kijken. Over de keuze voor haar echtgenoot zegt ze bijvoorbeeld: `Toen ik hem tien jaar eerder leerde kennen, was hij slanker, en ik liet me door het karaktervolle uiterlijk dat zijn gestalte hem verleende wijsmaken dat zijn innerlijke weekheid pure gevoeligheid was. Uit dit soort onherstelbare vergissingen komt driekwart van de echtparen voort.' Haar onomwonden uitspraken zijn verfrissend, maar soms lijkt het of de vertelster zich overschreeuwt, alsof ze niet het achterste van haar tong laat zien. Aan het einde van het verhaal wordt dit vermoeden bevestigd en komt het voorgaande weer in een heel ander daglicht te staan. Dan wordt ook duidelijk dat Lucía's preoccupatie met fysieke aftakeling een diepere oorzaak heeft, die ik hier niet zal verklappen.

Lucía's probleem met ouder worden weerhoudt haar er van toe te geven aan de aantrekkingskracht die broeit tussen haar en haar jonge buurman Adrián. Zijn jeugdigheid confronteert haar te zeer met haar eigen verval. Haar `ouderdomsgebreken' vervat ze in een hilarische opsomming van de toiletartikelen in de badkamer van het Amsterdamse hotel waar ze op een gegeven moment logeren. Ze eindigt deze opsomming met de volgende verzuchting: `In Amsterdam keek ik moedeloos naar al die potjes en flesjes waarmee mijn badkamer vol stond, en ik dacht dat mijn leeftijd echt niet meer te rijmen viel met Adrián, wiens lege badkamer slechts plaats bood aan een elektrisch scheerapparaat, een deodorant, een tandenborstel en een tube tandpasta, die daar oogden als dappere ontdekkingsreizigers in de onafzienbare witte poolvlakte van het porselein.'

De toon van het verhaal is erg bepalend in dit boek, en hier en daar wringt die. De ontvoering wordt nadrukkelijk luchtig behandeld. Dit wekt bevreemding in de passages waar dit op zichzelf zo dramatische gegeven helemaal naar de achtergrond wordt verdrongen door een verhaal van de oude man. Maar er zijn wel parallellen tussen zijn verhaal over de neergang van het anarchisme en de corruptie van Lucía's echtgenoot, die vroeger ook een idealist was. De teloorgang van idealen is, net als het verval van het menselijk lichaam, onacceptabel maar onontkoombaar. Dat is een harde dobber. Waar leven we voor, als alles alleen maar lelijker wordt?

Het is niet de ontvoering waar het in dit boek om gaat, maar Lucia's speurtocht naar antwoorden op dit soort levensvragen. Zij komt gelouterd uit dit proces tevoorschijn. Daarbij heeft ze veel steun aan haar oude en haar jonge vriend. De vitale oude man is het levende bewijs dat ouderdom niet gelijk staat aan totale ontluistering, en de bewondering van haar jonge vriend maakt dat zij zichzelf weer met andere ogen gaat bekijken. Ondanks dit happy end is het geen klef boek geworden. Rosa Montero heeft humor en is allergisch voor sentimentaliteit, wat een verademing is in een psychologische roman waarin de hoofdpersoon zich aan een zelfonderzoek onderwerpt. Haar beeldspraken en bespiegelingen kunnen ongelooflijk raak zijn. Ook bevat deze roman geen spoor van de zweverigheid die sommig eerder werk van deze schrijfster kenmerkt.

Rosa Montero: De dochter van de kannibaal. (La hija del cannibal), vert. Adri Boon. De Wereldbibliotheek, 336 blz. ƒ49,50