Een filosoof-koning die geen positie kiest

De mens in de filosofie van de twintigste eeuw is een merkwaardig boek. Het is geschreven door J. Sperna Weiland, ooit `een echte filosoof-koning' omdat hij niet slechts een filosoof maar ook een belangrijk bestuurder was. Als rector-magnificus van de Erasmus Universiteit heeft hij in 1985 de plannen van minister Deetman voorkomen om het aantal filosofie-opleidingen sterk te verminderen.

`Wat is de mens?' is een vraag die Sperna Weiland bezighoudt. In zijn nieuwe boek bespreekt hij diverse wijsgerige mensbeelden die een antwoord op die vraag willen zijn. Sperna Weiland suggereert dat wijsgerige antropologie het belangrijkste filosofische vak is, de `eerste filosofie' die de basis vormt voor vakken als ethiek en metafysica.

De eerste merkwaardigheid is nu dat Sperna Weiland deze stelling nergens verdedigt. Dat is een tekortkoming. Want men zou kunnen tegenwerpen dat niet wijsgerige antropologie maar taalfilosofie de eerste filosofie is. Volgens deze opvatting kunnen we pas nadenken over de mens als we een theorie hebben over de taal waarin we dat doen. Men kan zich zelfs afvragen of de vraag `Wat is de mens?' door de filosofie beantwoord moet worden. Ligt het niet meer voor de hand om dat aan de vakwetenschappen over te laten? Dit probleem noemt Sperna Weiland wel, maar alleen om te melden dat hij er niet op ingaat. Hij vooronderstelt simpelweg dat een wijsgerig mensbeeld, los van de wetenschappen, a priori mogelijk en zelfs noodzakelijk is.

Deze noodzaak probeert Sperna Weiland aannemelijk te maken door het boek te openen met een science fiction-verhaal waarin de mensen dankzij drugs een gelukkig leven leiden. In zijn beschrijving van deze Brave New World gebruikt hij in vrijwel elke zin een Engels woord. Dit is vreemd. In de rest van zijn boek bespreekt hij geen enkele Angelsaksische filosoof, omdat hij die niet interessant vindt. In plaats daarvan beschrijft hij in hoofdstukken van zo'n twintig pagina's het werk van Franse en Duitse filosofen als Scheler, Plessner, Jaspers, Bloch, Sartre, Merleau-Ponty, Foucault, Levinas en Derrida. Ook Heidegger ontbreekt niet, hetgeen in dit verband toch opvallend is omdat deze filosoof nu juist afkerig was van elke wijsgerige antropologie als antwoord op de vraag `Wat is de mens?'

Wie met een wijsgerig probleem worstelt laat natuurlijk niet negentig procent van de vakliteratuur (de engelstalige) links liggen. Sperna Weilands opvatting van de wijsbegeerte is echter niet probleemgericht. Hij leest filosofie alsof het een bepaald genre literatuur is. `Ik kan ook wel zeggen waarom de een mij meer aanspreekt dan de ander, maar ik kan niet zeggen wat nu de ware filosofie is'. Door deze houding zijn de portretten van de filosofen in dit boek vrijwel kritiekloos. Soms wordt er tussen de regels enige kritiek gesuggereerd, maar nergens steekt de auteur zijn nek uit.

Zijn eigen standpunt geeft Sperna Weiland summier weer in het slothoofdstuk. `Op de vraag wat nu het standpunt van de schrijver van dit boek is, de meest oninteressante vraag die men kan stellen, is het antwoord kort. Vaak voel ik mij als die oude kluizenaar van Nietzsche: `Ik zing wat, soms lach ik, soms moet ik huilen en ik brom wat voor mij heen; zo loof ik God', aldus Sperna Weiland. Merkwaardig genoeg stelt hij vervolgens wel dat er een objectief waarheidsbegrip is en dat de mens twaalf essentiële eigenschappen heeft. De mens is een informatieverwekkend systeem dat communiceert, bestaat uit een lichaam en een geest, agressief is, samen met anderen leeft. De mens werkt en schept zo een kunstmatige wereld die verandert in de loop der geschiedenis. De mens is vrij, zijn bestaan is eindig, hij gedraagt zich volgens regels en stelt zich vragen over de dood en de zin van het leven. Als oogst van 370 pagina's lezen is die opsomming wat mager.

De waarde van dit boek schuilt niet in de eigen bijdrage van de auteur. Dit is typerend voor een generatie Nederlandse filosofen, die weliswaar erudiet was maar niet bereid of in staat zelf een duidelijk standpunt te verdedigen. Aan hen danken we een onafzienbare reeks boeken – met titels als Lichamelijkheid en persoonlijke identiteit in het vroege denken van Heidegger – waarin tussen de regels door wel wordt gesuggereerd dat sommige wijsgerige opvattingen `fout' zijn maar niet waarom.

De mens in de filosofie van de twintigste eeuw illustreert deze benadering van de filosofie treffend. Het science fiction-verhaal aan het begin suggereert dat de mensheid onder invloed van de techniek op de verkeerde weg is geraakt. Om de apocalyps te voorkomen moeten we ons niet wenden tot de Angelsaksische filosofie – die staat te positief ten opzichte van de natuurwetenschappen – maar tot continentale denkers als Heidegger en Sartre, die iets gezien hebben dat voor ons verborgen is gebleven. Wellicht heeft Sperna Weiland gelijk, maar door dit boek komen we dat niet te weten.

Het werk bevat niettemin informatieve portretten van vaak al vergeten filosofen, zoals Max Scheler, Helmuth Plessner en Martin Buber. Sperna Weiland is goed vertrouwd met hun werk. Maar de toon is af en toe uit de hoogte. Regelmatig wordt de lezer toegesproken in zinnen als `Van hier af wordt het verhaal echt moeilijk, langzaam lezen en af en toe terugbladeren is geboden'. Dit wordt potsierlijk, wanneer men in dezelfde stijl leest dat in de logica `het beginsel van contradictie' en niet van non-contradictie wordt gehoorzaamd, zoals de gangbare vertaling luidt van het `principium contradictionis'. Minder thuis is Sperna Weiland in de moderne Franse filosofie. In zijn exposé over Levinas verzucht hij zelfs: `Wat ik heb geschreven is natuurlijk onzin, wie schrijft heeft er is al achter zich gelaten, maar die onzin hebben wij wel nodig om te zien dat het geen onzin is'. Volgens de flaptekst is het boek echter `aangenaam concreet'. Een merkwaardige aanbeveling voor een merkwaardig boek.

J. Sperna Weiland: De mens in de filosofie van de twintigste eeuw. Meulenhof/Kritak, 381 blz. ƒ49,90