Alles té in het barre dorp van Boomsma

Het begint met een bijna verdrinkingsdood en het eindigt met het opgraven van een lijk. Tussendoor spelen zich in Laagland, de vijfde roman van Graa Boomsma, nog wel meer onaangenaamheden af: mishandeling, seksueel misbruik, moord, incest en ernstige verwaarlozing. De plek des onheils is een niet nader aangeduid Westfries dorp, het jaartal is 1963, het jaar waarin Reinier Paping de Elfstedentocht won en J.F. Kennedy werd vermoord. De mensen leven er nog ouderwets langs elkaar heen. Van rouwverwerking heeft niemand ooit gehoord en het eenvoudigste gesprek lijkt nog teveel gevraagd voor de bewoners van dit oord. Ze houden zich, volgens een van de romanpersonages, een Belgische van oorsprong, bij voorkeur op de vlakte, al zijn ze verre van discreet. `Hun teruggetrokkenheid is vals, hun stupide zwijgen is oorverdovend. Het zijn voyeurs die alles en iedereen in de gaten houden en van commentaar voorzien. Het zijn geen zwijgers, maar kletskoppen achter je rug om.'

Omdat er nooit iets wordt uitgesproken, wordt er ook niets opgelost, zodat het ene drama vanzelf nieuwe drama's opwekt. De sneeuwbal wordt hier in gang gezet door een moeder die nooit over de dood van een kind is heengekomen. Met haar onverwerkte leed steekt zij anderen aan, die op hun beurt weer nieuwe slachtoffers maken. Dit is het schrille beeld dat Boomsma van het leven in dorpen laat oprijzen. In `dorpen', herhaal ik, want de beschrijving van dit ene dorp is veel minder concreet dan mijn opsomming van gruwelen misschien deed vermoeden. Die beschrijving is zelfs zo algemeen, dat mij meer dan eens het gevoel bekroop dit verhaal, in onderdelen althans, al eerder gelezen te hebben.

Aan Berichten van het Blauwe Huis (1986) van Hella Haasse moest ik onder andere denken, door de nadrukkelijk verbinding van het persoonlijke met het universele. Haasse beschreef in die roman de lotgevallen van twee Nederlandse zussen, die ook te kampen hadden met roddelende dorspgenoten, maar gaf hun geschiedenis een internationaler aanzien door de dwaze, Argentijnse moeder erin te betrekken. Op een enigszins vergelijkbare manier verwijst Boomsma naar de politionele acties in Nieuw-Guinea. De `misselijkmakende gevechten in het groen' worden in één adem genoemd met `uitzichtloos laagland' alsof oorlog en dorpsleven even erg zijn.

Ook valt verwantschap te bespeuren tussen Laagland en Het grote verlangen (1992) van Marcel Möring. In beide romans, hoe treurig ook, heerst een zeker idealisme. De personages leggen zich niet neer bij al die zompigheid, maar koesteren geheime idealen. Ze verlangen naar echte liefde, hogere inzichten, overkoepelende gedachten, ze proberen de nood te lenigen van minder bedeelden en haken naar vrijheid en blijheid, die in Laagland zelfs tot uiting kan komen in het drinken van flesjes frisdrank van het merk Joy.

Maar het meest deed Laagland mij denken aan de indrukwekkende roman Menuet (1955) van Louis Paul Boon. De gedachte dat mensen kleine, eenzame eilandjes vormen komt ook bij Boomsma tot uitdrukking in de manier waarop het verhaal verteld wordt: per hoofdstuk wisselt het perspectief. Het is een spannend procédé dat de lezer tot medeplichtige maakt van de schrijver, omdat hij of zij de enige is, die de verschillende standpunten kent en met elkaar kan verbinden. Op deze manier wordt toegewerkt naar een ontknoping waarin alle verhaaldraden samenkomen.

Laagland zit ongeveer net zo knap in elkaar als Menuet en over de constructie valt niets te klagen. Jammer is alleen dat dit boek ook niet zoveel meer wil worden dan een geslaagde constructie. Over het inlevingsvermogen van Boon beschikt Boomsma niet en al helemaal niet over diens maat- en stijlgevoel. Alles is bij hem net iets te zwaar aangezet, een gebrek waaraan zijn vorige romans ook al leden. Er is bijvoorbeeld het intrigerende gegeven dat een van de romanfiguren het sterke gevoel heeft dat hij iets mist. Pas aan het eind van de roman blijkt het zijn dode tweelingbroertje te zijn dat hem, zo interpreteer ik dat althans, berichten heeft toegezonden van gene zijde. Een enkele wenkende hand zou zeker aardig zijn geweest, maar het wemelt in Laagland van de wenkende handen en het gonst er van de stemmen die hem toeroepen. Een weinig geslaagd personage is ook de gevluchte Hongaar, die het dorpsleven met zijn Leica vastlegt. Dag en nacht sluipt hij rond om met zijn flits elke gebeurtenis te kunnen betrappen, als bevond hij zich aan het oorlogsfront in plaats van in een boerengehucht. `Hij fotografeert onze donkere kamer', staat er dan zwaarwichtig, `dat wat tussen die doofstomme oren van ons zit en achter onze stekeblinde ogen.'

Omdat alles er te dik bovenop ligt, willen de gebeurtenissen en de overwegingen die Boomsma zijn lezers voorschotelt niet overtuigen. Mijn hart ging niet sneller kloppen van het gemanipuleer met `witte bundeltjes' in de vrieskou, van het abstracte gepraat over `het zwart in de mond van de beschaving' en ook niet van de ietwat potsierlijke monologen van bakker Knor, met zijn `vlezige varkenskop'. Achter de ramen neemt deze dorpswijsgeer louter ellende waar, `een bende, een onbeschrijflijke rotzooi'. Veel details verstrekt hij niet, maar overal ziet hij, met alweer zo'n metafoor, `het deeg van de kwaadaardigheid rijzen'.

Alle zes personages van Boomsma, drie mannen en drie vrouwen, spreken en denken bij voorkeur in geleende taal, in zinnen te mooi om waar te kunnen zijn. `Ik las de wanhoop in haar ogen', heet het bijvoorbeeld. Een veertienjarige herkent in zijn liefdeloze moeder een sneeuwkoningin, `met een ziel die als een ijssplinter door haar lichaam zwerft'. Het meest dodelijk is wel de zware, pathetische toonzetting, die één ding meteen duidelijk maakt: in deze roman worden geen geintjes gemaakt. Hier zal ons de ware aard van het leven en van de mensheid worden getoond. Het zal er hard aan toe gaan, maar dat kan nu eenmaal niet anders. Het laagland als symbool voor alle ellende in de wereld: dat moet wel ongeveer Boomsma's opzet zijn geweest.

`Teveel, het is teveel', zucht de vrouw met het doodgeboren kind, de vermoorde man, de bijna verdronken jongste zoon en de door de oorlog getraumatiseerde oudste zoon. Later zal ze ook nog een zelfmoordpoging doen. Het enige verzetje dat zij zich in haar ellendige bestaan gunt is het wekelijkse halfuurtje met voornoemde bakker Knor, die haar pal achter de voordeur met zijn vlezige tong mag bevredigen. Wat deze vrouw bezielt, zou ik niet weten. En eerlijk gezegd maakt het me ook niet echt uit waarom ze zich wel door een bakker laat omarmen, terwijl ze haar zoons op afstand houdt. Maar dat het teveel is wat het arme mens allemaal overkomt, dat ben ik met haar eens. Het is zelfs veel te veel.

Graa Boomsma: Laagland. Prometheus, 188 blz. ƒ29,90