Aan de zonnige kant van het doemdenken

Het milieudebat golft tussen doemdenken en win-win-denken. Volgens de optimisten zijn de onheilsprofeten uit op effectbejag. Volgens de pessimisten worden we door een samenzwering bedreigd. Gaat de wereld aan de mens ten onder? Over realiteit en reclame.

Met de milieuvriendelijke adem van een Kamermeerderheid onverwachts in de nek, buigt het kabinet zich de komende tijd over het Waddengas. Misschien neemt het wel een besluit: geen proefboringen in de Waddenzee. Een fundamentele keuze voor natuur en milieu: het kan.

Dat is te danken aan stemmingmakerij. Voor een deel zelfs aan onterechte stemmingmakerij. Het Brent Spar-verhaal, over de voorgenomen dumping van een booreiland in zee, was onzin waar het om de directe milieugevolgen ging. Maar het zette respect voor de zee weer eens op de agenda en de mogelijkheid om moreel getinte grenzen aan ons handelen te stellen tegenover iets abstracts als het milieu. Mede door de Brent Spar werd het een verleidelijke gedachte die ook de politiek in een compromisland in zijn greep kreeg: een uniek, buitengewoon waardevol natuurgebied te hebben en er toch met de handen vanaf te blijven. Afzien van klein gewin en groot verlies.

Diezelfde Brent Spar pronkt, als pakkend symbool van onterechte doemverhalen, op het omslag van Vervuiling van het milieudebat. Feit en fictie zijn vaak moeilijk te scheiden als het over natuur en milieu gaat. Wybren Verstegen probeert het toch. Daarmee is zijn poging bij voorbaat lovenswaardig. Verstegen, docent Economische en Sociale geschiedenis aan de Vrije Universiteit in Amsterdam, pakt de zaken voortvarend aan. Hij houdt de meest populaire doemscenario's tegen het licht: de bevolkingsexplosie, de oprakende grondstoffen, het gat in de ozonlaag, het broeikaseffect, de massa-extincties en de achteruitgang van de sperma-kwaliteit. Hij stelt dat de milieubeweging door propagandistisch effectbejag een sterk vertekend beeld schetst. De boodschap van zijn boek is dat de milieu- en natuurbeschermers de goede zaak dienen met de verkeerde argumenten.

Verstegen vraagt zich af waarom wetenschappers en milieuorganisaties de problemen zo opkloppen. Bijvoorbeeld als het gaat om de grondstoffen die zouden opraken. De voorraden worden volgens Verstegen groter en energie goedkoper. Er is in de verste verte geen schaarste te voorzien. `De belangrijkste reden dat de NAM wil boren naar gas in de Waddenzee is niet dat gas steeds schaarser wordt en er dus goed aan te verdienen valt. De energiebedrijven vrezen juist het omgekeerde: nú is het gas nog geld waard. Maar door de enorme toevloed van aardgas uit de voormalige Sovjet-Unie zal het Waddengas over veertig jaar vrijwel waardeloos geworden zijn.'

Natuurlijk overdrijven organisatie als Greenpeace of het Wereldnatuurfonds hun verhalen en reclamespotjes voor het brede publiek. Verstegen overdrijft op zijn beurt ook. Een deel van de genoemde onzin blijkt, ook na Verstegens beschietingen in Vervuiling van het milieudebat, overeind staan. Neem het aantal verdwijnende diersoorten. Er wordt bij het leven gespeculeerd. De weleens genoemde 100.000 soorten, die per jaar verdwijnen door alleen al de ontbossing, vormen wel een erg mooi rond aantal dat vooral door klein ongewerveld spul zou worden bereikt. Het gesteggel over die cijfers is soms wat lachwekkend. Desondanks is het een feit dat er aan de lopende band uitgestorven wordt door toedoen van de mens. Er is een enorme waslijst die ernstig wordt bedreigd. Zoals de Berberleeuw, de Javaanse tijger en de grote ivoorsnavelspecht... hoewel, die worden niet meer bedreigd, die zijn deze eeuw al verdwenen en hebben een gebied achtergelaten dat nooit meer hetzelfde zal zijn.

Je kunt de natuurorganisaties eerder verwijten dat ze, met het uitsterven als norm, een te positief verhaal houden. Het volledig uitsterven, tot en met het laatste individuele dier, geeft de ernst van de situatie niet weer. Als je anders rekent, wat gevoelsmatiger, is het erger. Een soort die in de korte tijd van een mensenleven voor de helft is verdwenen, is voor de helft uitgestorven. Een soort die in slechts enkele tientallen jaren eentiende van zijn populatie en leefgebied overhoudt, is eigenlijk voor negentiende uitgestorven. Als je deze verhoudingen optelt, en niet wegstreept tegen de toename van huis-tuin-en-keuken dieren die de mens volgen, is het verlies inderdaad enorm. Van buitenaf gezien – bijvoorbeeld terugkijkend op de twintigste eeuw – is het wat vreemd dat de mens in die situatie steeds maar weer ruzie gaat zitten maken over het precieze aantal uitstervende soorten per jaar, per dag of zelfs per uur. Al te bevlogen rekenaars zet Verstegen met recht met beide benen op de grond. De getallen zijn soms al te zwaarmoedig uit de lucht gegrepen. Niettemin kan hij er ook niet onderuit: zelfs de meest gematigde schatting van het huidige uitstervingstempo is het honderdvoudige van het natuurlijke uitstervingstempo.

De bijdrage van Verstegen is hoogst welkom. Hoewel het, anders dan beloofd, geen tegen-verhaal is: het is een ja-maar-verhaal. Bijvoorbeeld. Er is veel armoede op de wereld die onder meer tot bevolkingsgroei leidt. Maar bevolkingsgroei is geen belemmering voor economische groei. Grondstoffenwinning is doorgaans een zeer vervuilende activiteit. Maar er dreigt geen schaarste. Verzuring door landbouw en verkeer leidt tot soortenverarming. Maar de bossen zijn niet gestorven, althans niet in West-Europa. Herstel van het gat in de ozonlaag is om vele redenen wenselijk. Maar voor het leven op aarde levert dat gat nauwelijks echt gevaar op.

Volgens Verstegen zijn de grote doemverhalen geflopt. Eén voor één zijn deze scenario's de afgelopen jaren ten grave gedragen en daarmee ook de voornaamste wapens van de milieubeweging in haar strijd voor een betere wereld. De milieubeweging heeft geen obligate doemverhalen meer nodig, stelt hij. Voor wie er in de krant naar zoekt, zijn er berichten over kleine keuzes die toch verschil maken. Over boerenorganisaties die gaan samenwerken met Natuurmonumenten. Over papierfabrikanten die van het gebruik van `fout hout' worden afgehouden. `De moderne westerse consument is de eerste in de geschiedenis die zich de weelde van een hoge levensstandaard, een schoon milieu en het genieten van de natuur kan veroorloven. Ook zonder doemdenken kunnen we er naar streven dat de rest van de mensheid, inclusief de volgende generatie, in die weelde kan leven'.

Ik wil het feestje niet bederven. Ware het niet dat Verstegen zelf ook gemakshalve van `de milieucrisis' spreekt. Hoewel hij geen pasklare oplossingen biedt, moeten we onder het motto `Crisis, what crisis?' het doemen blijkbaar toch uit ons hoofd laten. Natuurlijk moeten geen spoken willen zien. Daarin heeft Verstegen gelijk. Sommige toegewijde doemdenkers nemen inderdaad een lekker in de markt liggend spook bij de hand. De kwaliteit van mannelijk sperma die achteruitholt. Massale geslachtsveranderingen in de natuur omdat menselijke pilgebruiksters zoveel rare stoffen uitplassen. Soms zijn die sprookjes echter een mooie aanleiding om de aandacht te vestigen op een reëel probleem. Een ijsbeer in de tropen? Vooralsnog onzin en toch een aardig logo voor de broeikas-lobby die deels wel degelijk wat zinnigs te melden heeft. Het jongetje dat `wolf' roept, sorteert tenslotte meer effect dan zijn broertje dat `misschien dat er een wolf is, we gaan het nog evalueren' fluistert. Zonder de misschien onterechte stemmingmakerij van Greenpeace over huidkanker bij mensen en blindheid bij schapen onder het ozongat, was de rem op de beruchte CFK's (de in koelkasten gebruikte chloorfluorkoolwaterstoffen) er nooit gekomen. Abstracte bedreigingen moet je nu eenmaal voor het grote publiek handen en voeten geven. Bovendien zijn er doemverhalen die op ontluisterende wijze waarheid geworden zijn, zoals dat over de rol van PCB's in het zeemilieu. Tegenover deze zeer terechte waarschuwingen mogen er best een paar staan, waarvan we later kunnen zeggen: het viel toch wel mee.

Je hoeft het op de hoofdlijn niet helemaal eens te zijn met Verstegen, hij heeft wel een goed boek geschreven. Het is prikkelend, scherp, erudiet en actueel genoeg om de lezer naar het einde mee te voeren. En hij brengt weer wat scherpte in wat al stilletjes uitgestorven leek: het milieudebat. Op het hoogtepunt van het denken en praten over milieu kreeg je het idee dat de mensheid een traptreedje verder was gesprongen in zijn ontwikkeling. Bijvoorbeeld tijdens de Rio-conferentie in 1992, toen internationale leiders op een heuse milieutop bijeenkwamen. Het bleek een modeverschijnsel. Het milieudebat is nu weer meer een kruidentheekransje.

Grote gedachten hebben grote verhalen nodig. Het mooiste is het als de tegenpartij een deel daarvan overneemt. Zelfs de NAM doet dat met de vroeger weleens weggelachen doemverhalen over broeikaseffect en bodemdaling door gaswinning. Een onderzoek uit eigen doos noemt het inmiddels realistisch dat de zeespiegel, in vergelijking met de afgelopen eeuwen, door het broeikaseffect nu drie keer zo sterk stijgt. Als die stijging straks een beetje toeneemt en de bodem door gaswinning ook nog eens daalt, zullen wadplaten verdwijnen: tot verdriet van vogels, zeehonden en schelpdieren. Een nijver landje kan dan – in plaatst van water naar de zee – zand naar de zee gaan dragen. Dat is een mooie methode om beperkte gaswinsten om te zetten in werkverschaffing. Je zou ook kunnen zeggen: laten we er niet aan beginnen.

Volgens de NAM zou een Kamermeerderheid, als ze tot dat laatste besluit, een uniek kans missen om de belangen van natuur, milieu en economie te verenigen. Dus wellicht moet de conclusie wel omgekeerd zijn. Doemscenario's zijn niet het grote gevaar voor de natuur- en milieubescherming. De luchtige scenario's, die natuurwaarden en economisch belang op een slimme manier aan elkaar koppelen, zijn soms zorgwekkender. Want houdt de natuur wel van al die recreanten, die door de natuurconsumentenbonden gelokt worden? Is het echt zo dat het kindertal bij toenemende welvaart in ontwikkelingslanden daalt, en vooral, dat het op tijd daalt zodat er nog een restje natuur gehandhaafd blijft? En gaat het in de natuurbescherming alleen om ons en onze kinderen, of mag het ook om tijgers, vissen en ecosystemen gaan? Misschien is dat grootste onzin van het milieudebat: dat het allemaal om ons draait en niet om een wereld die al miljoenen jaren aardig draaide voordat wij er ons mee begonnen te bemoeien.

Voor een ouderwets verhaal kan de lezer aankloppen bij het eveneens onlangs verschenen Water als bron van macht. Het is een boek vol water, van gebrek en overvloed tot vervuiling. Maar ook hier staat de mens weer in het middelpunt. Over de natuur, en de drama's die daar door kunstmatig waterbeheer worden veroorzaakt, rept auteur Riccardo Petrella met geen woord. Toch is het een boeiend boekje. Het bevat alle elementen van het betere doemdenken. Haast alles wat mis is in de wereld is tot een centraal thema te herleiden: het is al heel erg en het wordt nog veel erger, tenzij er een massale verandering in de publieke opinie komt.

Riccardo Petrella is professor aan de Katholieke Universiteit van Leuven, voorzitter van de Groep van Lissabon en bekend deelnemer aan de talrijke internationale waterconferenties. Hij stort zich gedreven in de doem. Het aantal mensen dat niet over water kan beschikken zal volgens de huidige trend tegen 2025 oplopen tot vier miljard: dat is de helft van de totale wereldbevolking. De `heren van het water' zien water ondertussen steeds vaker als een bron van rijkdom en macht. Het zal leiden tot `wateroorlogen' in Klein-Azië, Midden-Oosten, Azië én het Westen. Sterker, er zijn nu al een vijftigtal ernstige waterconflicten. Zelfs Nederland en België zijn in oorlog. Volgens Petrella over de industriële vervuiling van Maas en Schelde.

Ons wachten bovendien nog meer problemen. Petrella somt ze haast vergenoegd op. `Het staat de inwoners van West-Europa of Noord-Amerika vrij te geloven dat op lange termijn de ontbossing in subtropische gebieden en de bodemerosie in Azië, Afrika en Latijns-Amerika alleen plaatselijke gevolgen met zich zullen meebrengen. Dit is je reinste illusie.' Eerder heeft Mário Soares, voormalig president van Portugal, in een inleiding in een van de langste zinnen ter wereld al heel veel samengevat. `Vroeger beschouwde men water hoofdzakelijk als een technische of economische materie. De situatie is gevoelig gewijzigd. Dit is het gevolg van de steeds toenemende vervuiling van rivieren en meren, de verontreiniging van het grondwater, de snelle bevolkingsaangroei in grote steden, het bodembederf, de verwoestijning, de conflicten tussen landbouwers (gemiddeld wordt ongeveer zeventig procent van de watervoorraad voor irrigatie gebruikt) en stedelingen (tien procent), tussen verschillende streken binnen één land waar de behoefte aan water en de aanwezige voorraad eigenlijk omgekeerd evenredig zijn en ten slotte zijn er nog de verergerende conflicten tussen buurstaten (ongeveer 240 van de belangrijkste waterbekkens in de wereld bevinden zich op het grondgebied van twee of meer staten).'

Met andere woorden: er zijn problemen. Petrella behandelt ze op een toon die doet denken aan de sociologie uit de jaren zeventig. Dit is immers een manifest. Rond sommige hoofdstuktitels – zoals `de heren van de oorlog', `de heren van het geld'of `de heren van de technologie' – hangt een nostalgische zweem van samenzweringen. Petrella heeft het vooral voorzien op de multinationals die buitensporig aanspraak maken op (grond)watervoorraden. Zo kost één auto 400.000 liter water en kosten de computerchips van IBM in Frankrijk jaarlijks miljoenen kubieke meter zuiver grondwater. Ook Westerse waterdistributiebedrijven, die zich grootscheeps op de internationale markt hebben begeven, volgt hij argwanend. De oplossing moet dus van het volk komen, van de gewone man en vooral van de gewone vrouw die haar verantwoordelijkheid moeten gaan nemen door coöperaties voor waterbeheer te vormen. Om er een paar andere wereldproblemen bij te pakken, voegt Petrella er nog aan toe dat waterverdeling en -sanering niet langer staatsmonopolie mogen zijn maar – als `algemeen werelderfgoed van de mensheid' – gedenationaliseerd en geglobaliseerd moeten worden.

`Waarom volstaat het niet dat een gepensioneerde inwoner van Québec, een arbeider bij Volvo in Stockholm of een taxichauffeur uit Neufchâtel zich alleen maar betrokken voelt bij de strijd om water van een arme landbouwer uit Senegal, een inwoner van Calcutta of een werkloze uit Mexico City? Waarom zou hij tegelijkertijd ook niet bereid zijn iets te doen, opdat ieder mens toegang krijgt tot drinkwater, en de gehele mensheid beschikt over water voor landbouw, industrie, enzovoort?', vraagt Petrella zich retorisch af.

Zo zie je maar. Doemdenkers zijn aan de andere kant ook zonnige denkers. Ze zijn lang niet zo eenzijdig als Wybren Verstegen denkt.

Wybren Verstegen: Vervuiling van het milieudebat. Een milieusceptisch essay. Uitgeverij Nieuwezijds,

128 blz. ƒ19,90

Riccardo Petrella: Water als bron van macht. Een manifest. Van Halewijck,

158 blz. ƒ32,50